Goddestination

Al-Ma'aarij

Al-Ma'aarij

De Opstijgende Trappen

44 ayahsMeccanNederlands

Now playing Watch on YouTube

بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ ٱلرَّحِیمِ

Bismi Allah Ar-Rahman Ar-Rahim

  1. 1 سَأَلَ سَاۤىِٕلُۢ بِعَذَابࣲ وَاقِعࣲ

    saela Saaiel bi-athaabin vakie

    Iemand vraagt en roept om wraak.

  2. 2 لِّلۡكَـٰفِرِینَ لَیۡسَ لَهُۥ دَافِعࣱ

    Liel kafirien lejsa dafie

    Over de ongeloovigen. Er zal niemand wezen, die verhinderen kan.

  3. 3 مِّنَ ٱللَّهِ ذِی ٱلۡمَعَارِجِ

    min Allah zie Alma'aridji

    Dat God hen bedroeven, de meester der trappen.

  4. 4 تَعۡرُجُ ٱلۡمَلَـٰۤىِٕكَةُ وَٱلرُّوحُ إِلَیۡهِ فِی یَوۡمࣲ كَانَ مِقۡدَارُهُۥ خَمۡسِینَ أَلۡفَ سَنَةࣲ

    ta'roedzjoe Al-malaika Walroeh ilayhi fee jaum kana Mekdara-hoe hamsein Alif sana

    Langs welke de engelen tot hem opstijgen in een dag, wiens uitgebreidheid vijftig duizend jaren bedraagt.

  5. 5 فَٱصۡبِرۡ صَبۡرࣰا جَمِیلًا

    fasbir sabran dzjemiel

    Daarom, verdraagt de beleedigingen van de bewoners van Mekka met lofwaardig geduld.

  6. 6 إِنَّهُمۡ یَرَوۡنَهُۥ بَعِیدࣰا

    Innahum Jaravnah ba'ied

    Want zij (de ongeloovigen) zien hunne straf ver verwijderd.

  7. 7 وَنَرَىٰهُ قَرِیبࣰا

    en wij zien hem kaariiban

    Maar wij zien die nabij.

  8. 8 یَوۡمَ تَكُونُ ٱلسَّمَاۤءُ كَٱلۡمُهۡلِ

    jaum ta-koe-noe As-samaa kalmoehli

    Op een zekeren dag zal de hemel als gesmolten koper worden.

  9. 9 وَتَكُونُ ٱلۡجِبَالُ كَٱلۡعِهۡنِ

    waa takoenoe Al-djiebaaloe kal-ieh-nie

    En de bergen gelijk wol van verschillende kleuren, door den wind uiteengedreven.

  10. 10 وَلَا یَسۡـَٔلُ حَمِیمٌ حَمِیمࣰا

    jessel hamiem Hameem

    En een vriend zal den ander niet naar zijn toestand vragen

  11. 11 یُبَصَّرُونَهُمۡۚ یَوَدُّ ٱلۡمُجۡرِمُ لَوۡ یَفۡتَدِی مِنۡ عَذَابِ یَوۡمِىِٕذِۭ بِبَنِیهِ

    joebassaroenahoem jau-doed Al-moedjriemoe Lauw jaftadi azab Jawmiez bibeniye

    Hoewel zij elkander zien. De zondaar zal trachten, zich van de straf van dien dag los te koopen, door zijne kinderen op te offeren

  12. 12 وَصَـٰحِبَتِهِۦ وَأَخِیهِ

    wasaahibetiehi en zijn broer

    En zijne vrouw en zijn broeder.

  13. 13 وَفَصِیلَتِهِ ٱلَّتِی تُـٔۡوِیهِ

    Vefasielietie Al-latie t'ewieh

    En zijne bloedverwanten die hem vriendschap bewezen;

  14. 14 وَمَن فِی ٱلۡأَرۡضِ جَمِیعࣰا ثُمَّ یُنجِیهِ

    Vaman fee Al-ard dzjami-an thoemma Junzjiehe

    En allen die op aarde zijn. Hij zal begeeren daardoor gered te worden.

  15. 15 كَلَّاۤۖ إِنَّهَا لَظَىٰ

    Innaha Lazaa

    Maar in geenen deele; want het hellevuur,

  16. 16 نَزَّاعَةࣰ لِّلشَّوَىٰ

    nezzah Liesjaua

    Dat hen bij de schedels zal grijpen,

  17. 17 تَدۡعُوا۟ مَنۡ أَدۡبَرَ وَتَوَلَّىٰ

    tedhoea adbar

    Zal iederen persoon opeischen, die zijn rug zal hebben toegewend, en het geloof ontvlucht is.

  18. 18 وَجَمَعَ فَأَوۡعَىٰۤ

    wedzjama Fa'aw'a

    En die rijkdommen verzameld heeft, en deze gierig ophoopt.

  19. 19 ۞ إِنَّ ٱلۡإِنسَـٰنَ خُلِقَ هَلُوعًا

    Inna Al-insan hoelika halo'an

    Waarlijk, de mensch is zeer begeerig geschapen.

  20. 20 إِذَا مَسَّهُ ٱلشَّرُّ جَزُوعࣰا

    ieza messahoe Ash-sjarr dzazoeban

    Als het kwaad hem treft, is hij ternedergeslagen.

  21. 21 وَإِذَا مَسَّهُ ٱلۡخَیۡرُ مَنُوعًا

    wa iza messahoe Al-chayr manoean

    Maar als het goede hem toevloeit, word hij karig.

  22. 22 إِلَّا ٱلۡمُصَلِّینَ

    illa Al-moesallien

    Zoo bestaan niet degenen die godvruchtig zijn.

  23. 23 ٱلَّذِینَ هُمۡ عَلَىٰ صَلَاتِهِمۡ دَاۤىِٕمُونَ

    Alladhiena hoem Ala salaatihiem daimoen

    Die in hunne gebeden volharden.

  24. 24 وَٱلَّذِینَ فِیۤ أَمۡوَ ٰ⁠لِهِمۡ حَقࣱّ مَّعۡلُومࣱ

    wal-laziena amwa geloof Lehim Hak

    En zij, die gereed zijn, een zeker voegzaam deel van hunne bezittingen te geven.

  25. 25 لِّلسَّاۤىِٕلِ وَٱلۡمَحۡرُومِ

    lilsaail wal mahroemi

    Aan hem die vraagt, en aan hem, die door schaamte teruggehouden wordt te vragen.

  26. 26 وَٱلَّذِینَ یُصَدِّقُونَ بِیَوۡمِ ٱلدِّینِ

    wal-laziena joe-sed-die-koe-nen bjeum ed-Dien

    Zij, die oprecht in den dag des oordeels gelooven,

  27. 27 وَٱلَّذِینَ هُم مِّنۡ عَذَابِ رَبِّهِم مُّشۡفِقُونَ

    wal-laziena azab moesjfikoen

    En de straf van hunnen Heer vreezen

  28. 28 إِنَّ عَذَابَ رَبِّهِمۡ غَیۡرُ مَأۡمُونࣲ

    Inna azab Rabbiem ghair ma'moen

    (Want niemand is beveiligd tegen de straf van zijnen Heer).

  29. 29 وَٱلَّذِینَ هُمۡ لِفُرُوجِهِمۡ حَـٰفِظُونَ

    wal-laziena hoem le-foe-roe-zjie-hem Hafizoen

    Die ingetogen leven.

  30. 30 إِلَّا عَلَىٰۤ أَزۡوَ ٰ⁠جِهِمۡ أَوۡ مَا مَلَكَتۡ أَیۡمَـٰنُهُمۡ فَإِنَّهُمۡ غَیۡرُ مَلُومِینَ

    illa azwa geloof Djehem au ma malakat ajmanoesoem Fa-ien-nahum ghair maloemiena

    En die geen gemeenschap hebben met andere vrouwen dan met de hunne, of de slavinnen, die door hunne rechterhanden worden bezeten; want zij zijn zonder blaam.

  31. 31 فَمَنِ ٱبۡتَغَىٰ وَرَاۤءَ ذَ ٰ⁠لِكَ فَأُو۟لَـٰۤىِٕكَ هُمُ ٱلۡعَادُونَ

    faman ibtagha Varaa dha geloof leka Faulaik hoem Al-adoen

    Maar zij, die gemeenschap met andere vrouwen buiten deze hebben, zijn zondaren.

  32. 32 وَٱلَّذِینَ هُمۡ لِأَمَـٰنَـٰتِهِمۡ وَعَهۡدِهِمۡ رَ ٰ⁠عُونَ

    wal-laziena hoem leamanatihim wa'hdiehim ra geloof aun

    Zij, die wat hun werd toevertrouwd en hun verbond getrouw bewaren.

  33. 33 وَٱلَّذِینَ هُم بِشَهَـٰدَ ٰ⁠تِهِمۡ قَاۤىِٕمُونَ

    wal-laziena Beshahada geloof Tehem ka-iemoena

    Die onwrikbaar in hunne verklaringen zijn.

  34. 34 وَٱلَّذِینَ هُمۡ عَلَىٰ صَلَاتِهِمۡ یُحَافِظُونَ

    wal-laziena hoem Ala salaatihiem joe-haa-fie-zoe-n

    En die de vereischte voorschriften bij hunne gebeden nauwkeurig in acht nemen.

  35. 35 أُو۟لَـٰۤىِٕكَ فِی جَنَّـٰتࣲ مُّكۡرَمُونَ

    oela-ieka fee moekramoen

    Deze zullen hooggeëerd zijn, en te midden van tuinen wonen.

  36. 36 فَمَالِ ٱلَّذِینَ كَفَرُوا۟ قِبَلَكَ مُهۡطِعِینَ

    femali Alladhiena kafaroewa kibalaka moehtieien

    Wat scheelt de ongeloovigen, dat zij voor u uitgaan

  37. 37 عَنِ ٱلۡیَمِینِ وَعَنِ ٱلشِّمَالِ عِزِینَ

    ane Al-Jamien van Ash-Shimaali izina

    In scharen ter rechter- en ter linkerhand?

  38. 38 أَیَطۡمَعُ كُلُّ ٱمۡرِئࣲ مِّنۡهُمۡ أَن یُدۡخَلَ جَنَّةَ نَعِیمࣲ

    aja tma'oe koel-loe imri minhum an joedhala Djanna Na'im

    Wenscht een hunner den tuin des genots binnen te gaan?

  39. 39 كَلَّاۤۖ إِنَّا خَلَقۡنَـٰهُم مِّمَّا یَعۡلَمُونَ

    mimma ja'lamoen

    Volstrekt niet.--Waarlijk, wij hebben hen geschapen, van datgene wat zij kennen.

  40. 40 فَلَاۤ أُقۡسِمُ بِرَبِّ ٱلۡمَشَـٰرِقِ وَٱلۡمَغَـٰرِبِ إِنَّا لَقَـٰدِرُونَ

    Oeksiemoe berabbi Al-Masjarieq Wal-magharibi Lakadirun

    Ik zweer bij den Heer van het Oosten en het Westen, dat wij in staat zijn.

  41. 41 عَلَىٰۤ أَن نُّبَدِّلَ خَیۡرࣰا مِّنۡهُمۡ وَمَا نَحۡنُ بِمَسۡبُوقِینَ

    an noebeddiela haijren minhum vama nahnoe bimasboekiena

    (Hen te verdelgen en) een beter volk voor hen in de plaats te stellen; en niemand kan het verhinderen, indien het ons behaagt dit te doen.

  42. 42 فَذَرۡهُمۡ یَخُوضُوا۟ وَیَلۡعَبُوا۟ حَتَّىٰ یُلَـٰقُوا۟ یَوۡمَهُمُ ٱلَّذِی یُوعَدُونَ

    fadhroehum jachoedoe vajl'aboe hata jelaqou jau-ma-hoem al-ladhie juoadoenoen

    Daarom, laat hen in ijdele gesprekken waden, en in vermaken genot zoeken, tot zij den dag ontmoeten, waarmede zij bedreigd zijn.

  43. 43 یَوۡمَ یَخۡرُجُونَ مِنَ ٱلۡأَجۡدَاثِ سِرَاعࣰا كَأَنَّهُمۡ إِلَىٰ نُصُبࣲ یُوفِضُونَ

    jaum jachroedzjoen mina Al-adj-das seraan ka'annahum iela noesoeb joefiedzoean

    Den dag waarop zij haastig uit hunne graven zullen voortkomen, als scharen, die zich naar hunne vanen spoeden.

  44. 44 خَـٰشِعَةً أَبۡصَـٰرُهُمۡ تَرۡهَقُهُمۡ ذِلَّةࣱۚ ذَ ٰ⁠لِكَ ٱلۡیَوۡمُ ٱلَّذِی كَانُوا۟ یُوعَدُونَ

    chasjiea absaroehoem tarhakoehoem Dhillah dha geloof leka Al-jawmoe al-ladhie kanoe juoadoenoen

    Hunne blikken zullen nedergeslagen zijn, en schande zal hen volgen. Dit is de dag, waarmede zij bedreigd zijn geworden.

This surah in other languages