Goddestination

Saad

Saad

Sad

88 ayahsMeccanNederlands

Publishes on

This video is not public yet. It publishes on 2026-11-17 20:30 UTC.

Subscribe

بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ ٱلرَّحِیمِ

Bismi Allah Ar-Rahman Ar-Rahim

  1. 1 صۤۚ وَٱلۡقُرۡءَانِ ذِی ٱلذِّكۡرِ

    Sad Wal Koer'an zie Adh-Dhikr

    S. Ik zweer bij den Koran, gevuld met waarschuwingen.

  2. 2 بَلِ ٱلَّذِینَ كَفَرُوا۟ فِی عِزَّةࣲ وَشِقَاقࣲ

    bele Alladhiena kafaroewa fee izza Wesjikak

    Waarlijk, de ongeloovigen zijn verkleefd aan trotschheid en twist.

  3. 3 كَمۡ أَهۡلَكۡنَا مِن قَبۡلِهِم مِّن قَرۡنࣲ فَنَادَوا۟ وَّلَاتَ حِینَ مَنَاصࣲ

    Kam min min Karn valata hain manas

    Hoevele geslachten hebben wij voor hen verdelgd en zij riepen om genade; maar het was geen tijd meer om aan de straf te ontkomen.

  4. 4 وَعَجِبُوۤا۟ أَن جَاۤءَهُم مُّنذِرࣱ مِّنۡهُمۡۖ وَقَالَ ٱلۡكَـٰفِرُونَ هَـٰذَا سَـٰحِرࣱ كَذَّابٌ

    wa-adjieboea an Djaa-hoem Moenzier wa kala Al-Kafiroen haza sahier kazzāboen

    Zij zijn verbaasd, dat een uit hen geboren waarschuwer tot hen is gekomen. En de ongeloovigen zeggen: Deze man is een toovenaar en een leugenaar.

  5. 5 أَجَعَلَ ٱلۡـَٔالِهَةَ إِلَـٰهࣰا وَ ٰ⁠حِدًاۖ إِنَّ هَـٰذَا لَشَیۡءٌ عُجَابࣱ

    adzjaela Al-ilaheta Ilaah en geloof hedan Inna haza lesjajoen oedjab

    Verklaart hij dat de goden één God zijn? Waarlijk dit is eene zonderlinge zaak.

  6. 6 وَٱنطَلَقَ ٱلۡمَلَأُ مِنۡهُمۡ أَنِ ٱمۡشُوا۟ وَٱصۡبِرُوا۟ عَلَىٰۤ ءَالِهَتِكُمۡۖ إِنَّ هَـٰذَا لَشَیۡءࣱ یُرَادُ

    vantalaka Almala minhoem ani emsjoea va-s-bie-roe alihatikoem Inna haza Lasjajoen joe-raa-doe

    En de voornaamste lieden onder hen vertrokken, zeggende tot elkander: Gaat en volhardt in de vereering uwer goden, waarlijk; u er van af te trekken is de bedoelde zaak.

  7. 7 مَا سَمِعۡنَا بِهَـٰذَا فِی ٱلۡمِلَّةِ ٱلۡـَٔاخِرَةِ إِنۡ هَـٰذَاۤ إِلَّا ٱخۡتِلَـٰقٌ

    ma sami'na behaza fee Al-millati Al-akhirati illa ichtielakoen

    Wij hebben niet van zoo iets in den laatsten godsdienst gehoord. Dit is niets dan eene valsche uitvinding.

  8. 8 أَءُنزِلَ عَلَیۡهِ ٱلذِّكۡرُ مِنۢ بَیۡنِنَاۚ بَلۡ هُمۡ فِی شَكࣲّ مِّن ذِكۡرِیۚ بَل لَّمَّا یَذُوقُوا۟ عَذَابِ

    a-unzila alayhi Adh-Dhikr hoem fee Sjak min Zikri bal Lama jazoekoe azab

    Werd hem bij voorkeur boven een ander onzer eene waarschuwing nedergezonden? Waarlijk, zij verkeeren in eene dwaling omtrent mijne waarschuwing; doch zij hebben mijne wraak nog niet geproefd

  9. 9 أَمۡ عِندَهُمۡ خَزَاۤىِٕنُ رَحۡمَةِ رَبِّكَ ٱلۡعَزِیزِ ٱلۡوَهَّابِ

    am indahoem hazajienoe rahmat Rabbi-k Al-Aziez Al-Wahhaab

    Zijn de schatten der genade van uwen Heer, den Machtige, den Milddadige, in hunne handen?

  10. 10 أَمۡ لَهُم مُّلۡكُ ٱلسَّمَـٰوَ ٰ⁠تِ وَٱلۡأَرۡضِ وَمَا بَیۡنَهُمَاۖ فَلۡیَرۡتَقُوا۟ فِی ٱلۡأَسۡبَـٰبِ

    am moelk As-samawa geloof te Wal ardi vama fal-jart-koe fee Al-asbaabi

    Is het koninkrijk der hemelen en der aarde, en van hetgeen er tusschen is, in hun bezit? Indien dit zoo is, laat het dan met ladders (touwen) ten hemel opstijgen.

  11. 11 جُندࣱ مَّا هُنَالِكَ مَهۡزُومࣱ مِّنَ ٱلۡأَحۡزَابِ

    dzjoend maa hoenaalik mehzum min Al-ahzabi

    Maar hunne legers, hoe talrijk die ook mochten zijn, zullen op de vlucht gejaagd worden.

  12. 12 كَذَّبَتۡ قَبۡلَهُمۡ قَوۡمُ نُوحࣲ وَعَادࣱ وَفِرۡعَوۡنُ ذُو ٱلۡأَوۡتَادِ

    kazabath kablehoem kavm wa'ad Farao zu Al autad

    Het volk van Noach, de stam van Ad en Pharao, de bezitter der staken beschuldigden, voor hen, de profeten van bedrog.

  13. 13 وَثَمُودُ وَقَوۡمُ لُوطࣲ وَأَصۡحَـٰبُ لۡـَٔیۡكَةِۚ أُو۟لَـٰۤىِٕكَ ٱلۡأَحۡزَابُ

    thamoed Wakoum Wa ashaab Laika oela-ieka Al-Ahhabu

    Ook de stam van Thamoed en het volk van Lot, en de bewoners van het woud nabij Madian deden dit en waren de bondgenooten tegen Gods gezanten.

  14. 14 إِن كُلٌّ إِلَّا كَذَّبَ ٱلرُّسُلَ فَحَقَّ عِقَابِ

    in koel-loen illa kazzaba Al-roesoel fahak iekaab

    Zij allen deden niet anders, dan hunne gezanten van valschheid beschuldigen, waardoor mijne wraak rechtvaardig op hen werd uitgeoefend.

  15. 15 وَمَا یَنظُرُ هَـٰۤؤُلَاۤءِ إِلَّا صَیۡحَةࣰ وَ ٰ⁠حِدَةࣰ مَّا لَهَا مِن فَوَاقࣲ

    vama janzuroe ha-oelaa-i illa sajha en geloof maa laha min favaq

    En deze wachten slechts op een klank der trompet, die niet uitgesteld zal worden.

  16. 16 وَقَالُوا۟ رَبَّنَا عَجِّل لَّنَا قِطَّنَا قَبۡلَ یَوۡمِ ٱلۡحِسَابِ

    wa kaaloe adjil lana Kietana kibla jaum Al-Hisabi

    En zij zeggen spottende: O Heer! geef ons ons deel voor den dag der rekenschap.

  17. 17 ٱصۡبِرۡ عَلَىٰ مَا یَقُولُونَ وَٱذۡكُرۡ عَبۡدَنَا دَاوُۥدَ ذَا ٱلۡأَیۡدِۖ إِنَّهُۥۤ أَوَّابٌ

    asbir Ala ma jaqoeloen Vezkoer abdanā Dawoed za Al-aydi awwaboen

    Verdraag geduldig wat zij bedrijven en herinner hen onzen dienaar David, die met sterkte begaafd was; want hij was iemand, die zich ernstig tot God wendde.

  18. 18 إِنَّا سَخَّرۡنَا ٱلۡجِبَالَ مَعَهُۥ یُسَبِّحۡنَ بِٱلۡعَشِیِّ وَٱلۡإِشۡرَاقِ

    sacharna al-djie-ba-la joesebbihna Bielasjie Wal-isj-raak

    Wij dwongen de bergen, onzen lof met hem te verkondigen, des avonds en bij het opgaan der zon;

  19. 19 وَٱلطَّیۡرَ مَحۡشُورَةࣰۖ كُلࣱّ لَّهُۥۤ أَوَّابࣱ

    Waltaijra mah-sjoe-rah Koel awwab

    Alsook de vogelen die zich tot hem verzamelen, en die allen dikwijls met dat doel bij hem terug keerden.

  20. 20 وَشَدَدۡنَا مُلۡكَهُۥ وَءَاتَیۡنَـٰهُ ٱلۡحِكۡمَةَ وَفَصۡلَ ٱلۡخِطَابِ

    moelkoehoe Wa aatainahoe Al-hikmata Vafasla Al-chitaab

    Wij stichten zijn koninkrijk, en wij gaven hem wijsheid en welsprekendheid van woorden.

  21. 21 ۞ وَهَلۡ أَتَىٰكَ نَبَؤُا۟ ٱلۡخَصۡمِ إِذۡ تَسَوَّرُوا۟ ٱلۡمِحۡرَابَ

    Vahl Atiaka Nabau Al-Chasmi iez tassowwaroe Al-Mihrab

    Is het verhaal der twee twistende tot uwe kennis gekomen, toen zij, over den muur, in de bovenste vertrekken kwamen?

  22. 22 إِذۡ دَخَلُوا۟ عَلَىٰ دَاوُۥدَ فَفَزِعَ مِنۡهُمۡۖ قَالُوا۟ لَا تَخَفۡۖ خَصۡمَانِ بَغَىٰ بَعۡضُنَا عَلَىٰ بَعۡضࣲ فَٱحۡكُم بَیۡنَنَا بِٱلۡحَقِّ وَلَا تُشۡطِطۡ وَٱهۡدِنَاۤ إِلَىٰ سَوَاۤءِ ٱلصِّرَ ٰ⁠طِ

    iez dach-loe Ala Dawoed fafazi'a Tachaf Chasmanie baga basoena Ala bas fahkoem bjenena bil-hakki tuhshtit Wahdina iela sawa As-Sira geloof te

    Toen zij tot David binnenkwamen, en hij bevreesd voor hen was, zeiden zij: Vrees niet, wij zijn twee tegenstanders, die een twist met elkander te beslechten hebben. De een van ons heeft den ander nadeel toegebracht: richt dus tusschen ons met waarheid: wees niet onrechtvaardig en leid ons op den rechten weg.

  23. 23 إِنَّ هَـٰذَاۤ أَخِی لَهُۥ تِسۡعࣱ وَتِسۡعُونَ نَعۡجَةࣰ وَلِیَ نَعۡجَةࣱ وَ ٰ⁠حِدَةࣱ فَقَالَ أَكۡفِلۡنِیهَا وَعَزَّنِی فِی ٱلۡخِطَابِ

    Inna achi tes vetesnain nadzja Waliya en geloof heda fakala akfilniehaa wa azzani fee Al-chitaab

    Deze, mijn broeder heeft negenennegentig schapen, en ik had slechts eene ooi, en hij zeide: Geef mij die, om ze te houden, en hij overwon mij in den twist, dien wij te zamen hadden.

  24. 24 قَالَ لَقَدۡ ظَلَمَكَ بِسُؤَالِ نَعۡجَتِكَ إِلَىٰ نِعَاجِهِۦۖ وَإِنَّ كَثِیرࣰا مِّنَ ٱلۡخُلَطَاۤءِ لَیَبۡغِی بَعۡضُهُمۡ عَلَىٰ بَعۡضٍ إِلَّا ٱلَّذِینَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّـٰلِحَـٰتِ وَقَلِیلࣱ مَّا هُمۡۗ وَظَنَّ دَاوُۥدُ أَنَّمَا فَتَنَّـٰهُ فَٱسۡتَغۡفَرَ رَبَّهُۥ وَخَرَّ رَاكِعࣰا وَأَنَابَ ۩

    kala Lakad zalamaka besoewali Na'dzjetik iela nijažehi wa inna min Al-choelathaa lajbghi ba'soem Ala bas illa Alladhiena amenoea wa amieloe As-sālihāti Wakiel maa wa-zanna Dawud Anama Fatennāhu fastaghfara Rabba hoe vaharr raki'an wa anaaba

    David antwoordde: Waarlijk hij heeft u slecht behandeld, door u uwe ooi te vragen, als eene bijvoeging tot zijne eigen schapen; en velen van hen, die eene zaak met elkander hebben, benadeelen elkander, behalve zij, die gelooven en doen wat rechtvaardig is. Maar hoe weinigen zijn dat! En David bemerkte, dat wij hem door deze gelijkenis hadden beproefd, en hij vroeg vergiffenis van zijn Heer; hij viel neder, boog zich en betoonde berouw.

  25. 25 فَغَفَرۡنَا لَهُۥ ذَ ٰ⁠لِكَۖ وَإِنَّ لَهُۥ عِندَنَا لَزُلۡفَىٰ وَحُسۡنَ مَـَٔابࣲ

    Fa-ga-far-na dha geloof wa inna indana Lazoelfa Wehsoena Maab

    Daarom vergaven wij hem zijne fout, en hij zal toegelaten worden om ons te naderen, en hij zal eene uitmuntende verblijfplaats in het paradijs hebben.

  26. 26 یَـٰدَاوُۥدُ إِنَّا جَعَلۡنَـٰكَ خَلِیفَةࣰ فِی ٱلۡأَرۡضِ فَٱحۡكُم بَیۡنَ ٱلنَّاسِ بِٱلۡحَقِّ وَلَا تَتَّبِعِ ٱلۡهَوَىٰ فَیُضِلَّكَ عَن سَبِیلِ ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱلَّذِینَ یَضِلُّونَ عَن سَبِیلِ ٱللَّهِ لَهُمۡ عَذَابࣱ شَدِیدُۢ بِمَا نَسُوا۟ یَوۡمَ ٱلۡحِسَابِ

    Ja Dawoed Dja'alnaak Kalief fee Al-ard fahkoem bajna an-nās bil-hakki tatbi Al-hawa Fajzielka an sebiel Inna Alladhiena jazilloen an sebiel Allah lahum azab bima nasoea jaum Al-Hisabi

    O David! wij hebben u aangewezen, als een uitverkoren vorst op de aarde; oordeel dus tusschen de menschen met waarheid, en volg niet uw eigen hartstocht, opdat hij u niet van Gods weg doe afdwalen; want zij die van Gods weg afdwalen, zullen eene ernstige straf ondergaan, dewijl zij den dag van hulp hebben vergeten.

  27. 27 وَمَا خَلَقۡنَا ٱلسَّمَاۤءَ وَٱلۡأَرۡضَ وَمَا بَیۡنَهُمَا بَـٰطِلࣰاۚ ذَ ٰ⁠لِكَ ظَنُّ ٱلَّذِینَ كَفَرُوا۟ۚ فَوَیۡلࣱ لِّلَّذِینَ كَفَرُوا۟ مِنَ ٱلنَّارِ

    vama chalaqna As-samaa Wal-ard vama bajnahoema batil dha geloof leka zannoe Alladhiena fawajl lil-lazien kafaroewa mina An-nar

    Wij hebben de hemelen en de aarde en wat daartusschen is, niet in ijdelheid geschapen. Dit is het oordeel der ongeloovigen; maar wee over hen, die niet gelooven, hun deel is het hellevuur.

  28. 28 أَمۡ نَجۡعَلُ ٱلَّذِینَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّـٰلِحَـٰتِ كَٱلۡمُفۡسِدِینَ فِی ٱلۡأَرۡضِ أَمۡ نَجۡعَلُ ٱلۡمُتَّقِینَ كَٱلۡفُجَّارِ

    am nedzjalo Alladhiena amenoea wa amieloe As-sālihāti Kalmufsidiena fee Al-ard am nedzjalo Al-moettaqien Kalfoedzjar

    Zullen wij met hen, die gelooven en goede werken verrichten, evenzoo doen, als met hen, die verderfelijk op aarde handelen? Zullen wij met den vrome even als met den zondaar handelen?

  29. 29 كِتَـٰبٌ أَنزَلۡنَـٰهُ إِلَیۡكَ مُبَـٰرَكࣱ لِّیَدَّبَّرُوۤا۟ ءَایَـٰتِهِۦ وَلِیَتَذَكَّرَ أُو۟لُوا۟ ٱلۡأَلۡبَـٰبِ

    kitabun Anzelnahoe ielayka moebarak lie jieddabberoea ajetihi walie jattakarra oeloe Al-ba-bi

    O Mahomet! wij hebben u een gezegend boek nedergezonden, opdat gij aandachtig over de teekenen daarvan zoudt nadenken, en de met verstand begiftigde menschen gewaarschuwd zouden mogen wezen.

  30. 30 وَوَهَبۡنَا لِدَاوُۥدَ سُلَیۡمَـٰنَۚ نِعۡمَ ٱلۡعَبۡدُ إِنَّهُۥۤ أَوَّابٌ

    Vevahbna Ledavuda Soeleiman Nim Al-abd-oe awwaboen

    En wij gaven aan David Salomo. Welk een uitmuntende dienaar! want hij wendde zich dikwijls tot den Heer.

  31. 31 إِذۡ عُرِضَ عَلَیۡهِ بِٱلۡعَشِیِّ ٱلصَّـٰفِنَـٰتُ ٱلۡجِیَادُ

    iez oerida alayhi Bielasjie As-safinat Al Djijaad

    Toen de paarden, staande op drie pooten, en den grond met den kant van den vierden poot aanrakende en vlug in hunnen loop, des avonds voor hem werden ten toon gesteld.

  32. 32 فَقَالَ إِنِّیۤ أَحۡبَبۡتُ حُبَّ ٱلۡخَیۡرِ عَن ذِكۡرِ رَبِّی حَتَّىٰ تَوَارَتۡ بِٱلۡحِجَابِ

    fakala ah-heb-beb-toe hoebb Al-chajrie an Zikri hata tawarat Bil-hidjaab

    Zeide hij: Waarlijk, ik heb de liefde der aardsche goederen bemind, boven de herdenking van mijn Heer, en heb den tijd besteed aan het beschouwen dezer paarden, terwijl de zon door den sluier des nachts is verborgen; breng de paarden weder voor mij.

  33. 33 رُدُّوهَا عَلَیَّۖ فَطَفِقَ مَسۡحَۢا بِٱلسُّوقِ وَٱلۡأَعۡنَاقِ

    roeddoeha fatafika Mesha belsuk Wal anaak

    En toen zij teruggebracht waren, begon hij hunne pooten en halzen af te snijden.

  34. 34 وَلَقَدۡ فَتَنَّا سُلَیۡمَـٰنَ وَأَلۡقَیۡنَا عَلَىٰ كُرۡسِیِّهِۦ جَسَدࣰا ثُمَّ أَنَابَ

    Vuh-lakd fatanna Wa alkajna Ala Koersi djasadaan thoemma anaba

    Ook beproefden wij Salomo, en plaatsten een nagebootst (misvormd) lichaam op zijn troon. Daarna wendde hij zich tot God.

  35. 35 قَالَ رَبِّ ٱغۡفِرۡ لِی وَهَبۡ لِی مُلۡكࣰا لَّا یَنۢبَغِی لِأَحَدࣲ مِّنۢ بَعۡدِیۤۖ إِنَّكَ أَنتَ ٱلۡوَهَّابُ

    kala Rabbi Ighfir Lei vahab Lei moelkan la janbagi leahad Innaka anta Al-Wahhaboe

    En zeide: O Heer! vergeef mij en mijn koninkrijk, dat door niemand na mij zal worden verkregen; want gij zijt de schenker van koninkrijken.

  36. 36 فَسَخَّرۡنَا لَهُ ٱلرِّیحَ تَجۡرِی بِأَمۡرِهِۦ رُخَاۤءً حَیۡثُ أَصَابَ

    fesahharna Lahoe Ar-rieha tadzjrie be-amrihi roeha-en haithoe asaba

    En wij onderwierpen den wind aan hem, die op zijn bevel zachtjes heengleed, werwaarts wij dien richtten.

  37. 37 وَٱلشَّیَـٰطِینَ كُلَّ بَنَّاۤءࣲ وَغَوَّاصࣲ

    Wesh-sjayatien koella bana Vagavas

    En wij onderwierpen hem ook de duivels en, onder deze, degenen die behendig waren in het bouwen en van het duiken naar parelen.

  38. 38 وَءَاخَرِینَ مُقَرَّنِینَ فِی ٱلۡأَصۡفَادِ

    Waa-akhirien moekarreniena fee Al-asfadi

    En wij leverden hem anderen over, die geketend waren,

  39. 39 هَـٰذَا عَطَاۤؤُنَا فَٱمۡنُنۡ أَوۡ أَمۡسِكۡ بِغَیۡرِ حِسَابࣲ

    haza ataouna femnun au amsik begajr hisab

    Zeggende: Dit is ons geschenk; wees dus mild, of wees spaarzaam tegenover wien gij dit geschikt zult oordeelen, zonder daarvan rekenschap af te leggen.

  40. 40 وَإِنَّ لَهُۥ عِندَنَا لَزُلۡفَىٰ وَحُسۡنَ مَـَٔابࣲ

    wa inna indana Lazoelfa Wehsoena Maab

    En hij zal ons naderen, en een heerlijk verblijf in het paradijs hebben.

  41. 41 وَٱذۡكُرۡ عَبۡدَنَاۤ أَیُّوبَ إِذۡ نَادَىٰ رَبَّهُۥۤ أَنِّی مَسَّنِیَ ٱلشَّیۡطَـٰنُ بِنُصۡبࣲ وَعَذَابٍ

    Vezkoer Ayoub iez Nadia annie messenie Ash-Shaithan benusb waa'azabien

    En gedenk onzen dienaar Job, toen hij tot zijnen Heer riep, zeggende: Waarlijk, Satan heeft mij met rampen en pijn bedroefd.

  42. 42 ٱرۡكُضۡ بِرِجۡلِكَۖ هَـٰذَا مُغۡتَسَلُۢ بَارِدࣱ وَشَرَابࣱ

    erkoez Biredzjliek haza moeghtaseloen Wesjarab

    En er werd tot hem gezegd: Strijk de aarde met uwen voet; en toen hij dit had gedaan, ontsprong er eene fontein, en er werd tot hem gezegd: Dit is voor u, om u er mede te wasschen, te verfrisschen en om te drinken.

  43. 43 وَوَهَبۡنَا لَهُۥۤ أَهۡلَهُۥ وَمِثۡلَهُم مَّعَهُمۡ رَحۡمَةࣰ مِّنَّا وَذِكۡرَىٰ لِأُو۟لِی ٱلۡأَلۡبَـٰبِ

    Vevahbna ahloehoe wameslahum ma'hoem rahmatan minna Vezhiekra leuli Al-ba-bi

    En wij gaven hem zijn gezin terug, en nog eens zooveel bovendien, door onze genade.

  44. 44 وَخُذۡ بِیَدِكَ ضِغۡثࣰا فَٱضۡرِب بِّهِۦ وَلَا تَحۡنَثۡۗ إِنَّا وَجَدۡنَـٰهُ صَابِرࣰاۚ نِّعۡمَ ٱلۡعَبۡدُ إِنَّهُۥۤ أَوَّابࣱ

    wahoez biejadek dghth fazdrib biehie tahneth Wadjdnahoe sabiran Nima Al-abd-oe awwab

    En wij zeiden tot hem: Neem een handvol (of bundel) in uwe hand en sla er uwe vrouw mede, en breek uwen eed niet. Waarlijk, wij bevonden, dat hij een geduldig persoon was. Welk een uitmuntend dienaar was hij: want hij was iemand, die zich dikwijls tot ons wendde.

  45. 45 وَٱذۡكُرۡ عِبَـٰدَنَاۤ إِبۡرَ ٰ⁠هِیمَ وَإِسۡحَـٰقَ وَیَعۡقُوبَ أُو۟لِی ٱلۡأَیۡدِی وَٱلۡأَبۡصَـٰرِ

    Vezkoer ibadena Ibra geloof hejma Izaäk Wa jaqoeb oelie Al-aydie Wal absari

    Gedenk ook onze dienaren Abraham, Izaäk en Jacob, die dappere en voorzichtige menschen waren.

  46. 46 إِنَّاۤ أَخۡلَصۡنَـٰهُم بِخَالِصَةࣲ ذِكۡرَى ٱلدَّارِ

    Inna Achlasnahum behalese Zikra Ad-dari

    Waarlijk, wij zuiverden hen met eene volkomene zuivering, door de herdenking van het volgende leven.

  47. 47 وَإِنَّهُمۡ عِندَنَا لَمِنَ ٱلۡمُصۡطَفَیۡنَ ٱلۡأَخۡیَارِ

    Wa innahum indana Lameno Al Moestafajna Al-ach-ja-ri

    En zij waren goede menschen en voor ons aangezicht uitverkoren.

  48. 48 وَٱذۡكُرۡ إِسۡمَـٰعِیلَ وَٱلۡیَسَعَ وَذَا ٱلۡكِفۡلِۖ وَكُلࣱّ مِّنَ ٱلۡأَخۡیَارِ

    Vezkoer Ismaïl Yasa vaza Al-Kifli wa koelloen min Al-ach-ja-ri

    En gedenk Israël, en Elisha en Dhoe'lkefl: want deze allen waren goede menschen.

  49. 49 هَـٰذَا ذِكۡرࣱۚ وَإِنَّ لِلۡمُتَّقِینَ لَحُسۡنَ مَـَٔابࣲ

    haza wa inna lil-moettaqien lahoesna Maab

    Dit is eene vermaning. Waarlijk, de vromen zullen eene uitnemende plaats hebben, om er terug te keeren;

  50. 50 جَنَّـٰتِ عَدۡنࣲ مُّفَتَّحَةࣰ لَّهُمُ ٱلۡأَبۡوَ ٰ⁠بُ

    Djanna Adn moefattahatan lahoem Al-abwa geloof bu

    Namelijk, tuinen van eeuwig verblijf, waarvan de ingangen voor hen zullen openstaan.

  51. 51 مُتَّكِـِٔینَ فِیهَا یَدۡعُونَ فِیهَا بِفَـٰكِهَةࣲ كَثِیرَةࣲ وَشَرَابࣲ

    Moettakiena fieha jad'oen fieha Befakethe katira

    Als zij daarin nederliggen, zullen zij er verschillende soorten vruchten en dranken vinden.

  52. 52 ۞ وَعِندَهُمۡ قَـٰصِرَ ٰ⁠تُ ٱلطَّرۡفِ أَتۡرَابٌ

    wa indahoem kasir geloof t Al-Tarfi atrabun

    En nabij hen zullen de maagden van het paradijs zitten, hare blikken van ieder afwendende; behalve van hare bruidegommen, van gelijken ouderdom als zij.

  53. 53 هَـٰذَا مَا تُوعَدُونَ لِیَوۡمِ ٱلۡحِسَابِ

    haza ma toea'adoenon Lejomi Al-Hisabi

    Dit is, wat u vóór den dag der rekenschap beloofd werd.

  54. 54 إِنَّ هَـٰذَا لَرِزۡقُنَا مَا لَهُۥ مِن نَّفَادٍ

    Inna haza Larezkuna ma min Nafadin

    Dit is onze overvloed, die niet falen zal.

  55. 55 هَـٰذَاۚ وَإِنَّ لِلطَّـٰغِینَ لَشَرَّ مَـَٔابࣲ

    wa inna lel-taa-ghien Lasjar Maab

    Dit zal de belooning der rechtvaardigen wezen. Maar voor de zondaren is eene slechte schuilplaats gereed gemaakt;

  56. 56 جَهَنَّمَ یَصۡلَوۡنَهَا فَبِئۡسَ ٱلۡمِهَادُ

    Djahannam jasloew-naha fabisa Al-mihadoe

    Namelijk de hel: zij zullen daarin geroepen worden om verbrand te worden, en dat zal eene ellendige rustplaats wezen;

  57. 57 هَـٰذَا فَلۡیَذُوقُوهُ حَمِیمࣱ وَغَسَّاقࣱ

    haza Falijazoekoehoe hamim Vagassak

    Proef dit, zal men hun zeggen; namelijk kokend water en het bedorven vocht, dat uit de lijken der verdoemden vloeit.

  58. 58 وَءَاخَرُ مِن شَكۡلِهِۦۤ أَزۡوَ ٰ⁠جٌ

    waaher min sjaklihi azwa geloof dzjoe

    En verschillende andere dingen van dezelfde soort.

  59. 59 هَـٰذَا فَوۡجࣱ مُّقۡتَحِمࣱ مَّعَكُمۡ لَا مَرۡحَبَۢا بِهِمۡۚ إِنَّهُمۡ صَالُوا۟ ٱلنَّارِ

    haza fauzj moektèhieem marhaba Innahum saloew An-nar

    En er zal tot de verleiders gezegd worden: Deze schaar, die door u werd geleid, zal te zamen met u, van boven neder in de hel geworpen worden. Zij zullen niet verwelkomd worden; want zij zullen het vuur binnengaan om verbrand te worden.

  60. 60 قَالُوا۟ بَلۡ أَنتُمۡ لَا مَرۡحَبَۢا بِكُمۡۖ أَنتُمۡ قَدَّمۡتُمُوهُ لَنَاۖ فَبِئۡسَ ٱلۡقَرَارُ

    antoem marhaba antoem kadamtumoechoe fabisa Al-Qarāru

    En de verleiden zullen tot hunne verleiders zeggen: Waarlijk, gij zult niet verwelkomd worden; gij hebt deze kastijding over ons gebracht, en de hel is een ellendig verblijf!

  61. 61 قَالُوا۟ رَبَّنَا مَن قَدَّمَ لَنَا هَـٰذَا فَزِدۡهُ عَذَابࣰا ضِعۡفࣰا فِی ٱلنَّارِ

    men kadama lana haza fezduh azaban difan fee An-nar

    Zij zullen zeggen: O Heer! verdubbel in het hellevuur de marteling van hen, die deze straf over ons gebracht hebben.

  62. 62 وَقَالُوا۟ مَا لَنَا لَا نَرَىٰ رِجَالࣰا كُنَّا نَعُدُّهُم مِّنَ ٱلۡأَشۡرَارِ

    wa kaaloe ma lana Nara redzjaalan konna na'oeddoehoem min Al-ashrari

    En de ongeloovigen zullen zeggen: Waarom zien wij de menschen niet, welke wij onder de zondaren telden.

  63. 63 أَتَّخَذۡنَـٰهُمۡ سِخۡرِیًّا أَمۡ زَاغَتۡ عَنۡهُمُ ٱلۡأَبۡصَـٰرُ

    Atahazhnahum seh-rie-ja am Zagat anhumu Al-absaaroe

    En die wij met spot ontvingen? Of missen onze oogen hen?

  64. 64 إِنَّ ذَ ٰ⁠لِكَ لَحَقࣱّ تَخَاصُمُ أَهۡلِ ٱلنَّارِ

    Inna dha geloof leka lahak tachaasoem ahl An-nar

    Inderdaad, dat is eene waarheid; namelijk de twist onder de bewoners van het hellevuur.

  65. 65 قُلۡ إِنَّمَاۤ أَنَا۠ مُنذِرࣱۖ وَمَا مِنۡ إِلَـٰهٍ إِلَّا ٱللَّهُ ٱلۡوَ ٰ⁠حِدُ ٱلۡقَهَّارُ

    koel Innama ana Moenzier vama Ilaah illa Allah Al-Va geloof Hedoe Al-Qahharu

    O Mahomet! zeg tot de afgodendienaars. Waarlijk, ik ben slechts een waarschuwer, en er is geen god, buiten den eenen, eenigen God, den Almachtige.

  66. 66 رَبُّ ٱلسَّمَـٰوَ ٰ⁠تِ وَٱلۡأَرۡضِ وَمَا بَیۡنَهُمَا ٱلۡعَزِیزُ ٱلۡغَفَّـٰرُ

    Rabboe As-samawa geloof te Wal ardi vama bajnahoema Al-Aziez Al-Ghaffaar

    Den Heer van hemel en aarde en alles wat daartusschen is, den Machtige, den Vergever van zonden.

  67. 67 قُلۡ هُوَ نَبَؤٌا۟ عَظِیمٌ

    koel hoe Nabaua aziem

    Zeg: het is eene gewichtige zending.

  68. 68 أَنتُمۡ عَنۡهُ مُعۡرِضُونَ

    antoem anhu moe'riedoen

    Waarvan gij u afwendt.

  69. 69 مَا كَانَ لِیَ مِنۡ عِلۡمِۭ بِٱلۡمَلَإِ ٱلۡأَعۡلَىٰۤ إِذۡ یَخۡتَصِمُونَ

    ma kana Leja Bil melai iez jahtasimoen

    Ik had geene kennis van de verheven vorsten, toen zij omtrent de schepping van den mensch twistten.

  70. 70 إِن یُوحَىٰۤ إِلَیَّ إِلَّاۤ أَنَّمَاۤ أَنَا۠ نَذِیرࣱ مُّبِینٌ

    in ilajja ana Nazier moebien

    (Het werd mij slechts geopenbaard als een bewijs, dat ik een openbaar prediker was);

  71. 71 إِذۡ قَالَ رَبُّكَ لِلۡمَلَـٰۤىِٕكَةِ إِنِّی خَـٰلِقُۢ بَشَرࣰا مِّن طِینࣲ

    iez kala Raboeka Lilmalā'ikati Innie Bashar min Tien

    Toen uw Heer tot de engelen zeide: Ik zal den mensch van klei scheppen.

  72. 72 فَإِذَا سَوَّیۡتُهُۥ وَنَفَخۡتُ فِیهِ مِن رُّوحِی فَقَعُوا۟ لَهُۥ سَـٰجِدِینَ

    feidha savvajtoehoe Venefchtu fieje min roehi fakau sadzjiediena

    Als ik hem geschapen, en hem mijn geest zal hebben ingeblazen, valt gij voor hem neder, en aanbidt hem.

  73. 73 فَسَجَدَ ٱلۡمَلَـٰۤىِٕكَةُ كُلُّهُمۡ أَجۡمَعُونَ

    fesadjeda Al-malaika Koelloelhoem adjmeun

    En al de engelen vereerden hem in het algemeen.

  74. 74 إِلَّاۤ إِبۡلِیسَ ٱسۡتَكۡبَرَ وَكَانَ مِنَ ٱلۡكَـٰفِرِینَ

    Iblies istakbara oe kana mina Al-Kafirien

    Behalve Eblis, die door hoogmoed was opgeblazen en een ongeloovige werd.

  75. 75 قَالَ یَـٰۤإِبۡلِیسُ مَا مَنَعَكَ أَن تَسۡجُدَ لِمَا خَلَقۡتُ بِیَدَیَّۖ أَسۡتَكۡبَرۡتَ أَمۡ كُنتَ مِنَ ٱلۡعَالِینَ

    kala Yā Iblīs ma manaka an tasjoeda lema chalaktoe Biedaja estekberte am konta mina Al-'aaliën

    God zeide tot hem: O Eblis! wat verhindert u, datgeene te vereeren, wat ik met mijne handen heb geschapen. Zijt gij opgeblazen door ijdele trotschheid? of zijt gij werkelijk iemand van verheven verdienste?

  76. 76 قَالَ أَنَا۠ خَیۡرࣱ مِّنۡهُ خَلَقۡتَنِی مِن نَّارࣲ وَخَلَقۡتَهُۥ مِن طِینࣲ

    kala ana hajr chaleqtani min Naar Wa chalaqtoehoe min Tien

    Hij antwoordde: Ik ben uitnemender dan hij. Gij hebt mij van vuur geschapen, en hem hebt gij van klei gemaakt.

  77. 77 قَالَ فَٱخۡرُجۡ مِنۡهَا فَإِنَّكَ رَجِیمࣱ

    kala fachroedzj minha Fa'innak regime

    God zeide tot hem: Ga dus weg van hier; want gij zult van de genade verdreven (gesteenigd) worden.

  78. 78 وَإِنَّ عَلَیۡكَ لَعۡنَتِیۤ إِلَىٰ یَوۡمِ ٱلدِّینِ

    wa inna aleiko la'nati iela jaum ed-Dien

    En mijn vloek zal op u rusten, tot den dag des oordeels.

  79. 79 قَالَ رَبِّ فَأَنظِرۡنِیۤ إِلَىٰ یَوۡمِ یُبۡعَثُونَ

    kala Rabbi Fa'anzirnie iela jaum joeba'thoen

    Hij hernam: O Heer! geef mij uitstel tot den dag der opstanding.

  80. 80 قَالَ فَإِنَّكَ مِنَ ٱلۡمُنظَرِینَ

    kala Fa'innak mina Al moenzariena

    God zeide: Waarlijk, gij zult een van hen zijn, die uitstel zullen ontvangen.

  81. 81 إِلَىٰ یَوۡمِ ٱلۡوَقۡتِ ٱلۡمَعۡلُومِ

    iela jaum Al-Waqti Al-Ma'loemie

    Tot den dag van den bepaalden tijd.

  82. 82 قَالَ فَبِعِزَّتِكَ لَأُغۡوِیَنَّهُمۡ أَجۡمَعِینَ

    kala fabi'izzetik la'oegwiejannahum adjmein

    Eblis zeide: Ik zweer bij uw macht, dat ik hen allen zal verleiden.

  83. 83 إِلَّا عِبَادَكَ مِنۡهُمُ ٱلۡمُخۡلَصِینَ

    illa ibadak min-hoemoe Al-moechlasien

    Behalve uwe dienaren, die bijzonder onder hen gekozen zullen worden.

  84. 84 قَالَ فَٱلۡحَقُّ وَٱلۡحَقَّ أَقُولُ

    kala Fel-hakkoe Wal-hakka akoe loe

    God zeide: Het is een rechtvaardig vonnis, en ik spreek de waarheid;

  85. 85 لَأَمۡلَأَنَّ جَهَنَّمَ مِنكَ وَمِمَّن تَبِعَكَ مِنۡهُمۡ أَجۡمَعِینَ

    la-amla-anna Djahannam mink vamemman tabeaka minhoem adjmein

    Ik zal zekerlijk de hel met u vullen, en met dezulken die u volgen; allen te zamen.

  86. 86 قُلۡ مَاۤ أَسۡـَٔلُكُمۡ عَلَیۡهِ مِنۡ أَجۡرࣲ وَمَاۤ أَنَا۠ مِنَ ٱلۡمُتَكَلِّفِینَ

    koel as-aloekoem alayhi ana mina Al-moetakallifiena

    Zeg tot de bewoners van Mekka: Ik vraag geenerlei belooning van u, voor deze mijne prediking, noch ben ik een van hen, die zich meester maken van een deel van datgene wat hun niet toebehoort.

  87. 87 إِنۡ هُوَ إِلَّا ذِكۡرࣱ لِّلۡعَـٰلَمِینَ

    hoe illa Zikr Lielalamiena

    De Koran is niets anders dan een vermaning aan alle schepselen.

  88. 88 وَلَتَعۡلَمُنَّ نَبَأَهُۥ بَعۡدَ حِینِۭ

    vela'tlemunne Nabaahoe bada hein

    En na een zekeren tijd zult gij zekerlijk weten, wat van het daarin geschonkene, waar is.

This surah in other languages