Goddestination

Al-Muddaththir

Al-Moedassir

De Geklede

56 ayahsMeccanNederlands

Now playing Watch on YouTube

بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ ٱلرَّحِیمِ

Bismi Allah Ar-Rahman Ar-Rahim

  1. 1 یَـٰۤأَیُّهَا ٱلۡمُدَّثِّرُ

    Ja ayyuha Al-Moeddaththir

    O gij die met een mantel bedekt zijt!

  2. 2 قُمۡ فَأَنذِرۡ

    Koem Fa-an-zir

    Rijs op en predik.

  3. 3 وَرَبَّكَ فَكَبِّرۡ

    Wa rabbak fakabbir

    Verheerlijk uwen Heer.

  4. 4 وَثِیَابَكَ فَطَهِّرۡ

    wassieaba Fatahhir

    Reinig uwe kleederen!

  5. 5 وَٱلرُّجۡزَ فَٱهۡجُرۡ

    Walroedzja fahdzjoer

    Ontvlucht iedere schande.

  6. 6 وَلَا تَمۡنُن تَسۡتَكۡثِرُ

    tamnun testaktieroe

    Geef niet in de hoop, daarvoor meer terug te ontvangen.

  7. 7 وَلِرَبِّكَ فَٱصۡبِرۡ

    Wa la rabbieka fasbir

    En wacht geduldig op uwen Heer.

  8. 8 فَإِذَا نُقِرَ فِی ٱلنَّاقُورِ

    feidha noekra fee An-nakoer

    Als de trompet zal klinken.

  9. 9 فَذَ ٰ⁠لِكَ یَوۡمَىِٕذࣲ یَوۡمٌ عَسِیرٌ

    faze geloof leka jomiz jaum asirun

    Waarlijk die dag zal een dag der droefheid wezen.

  10. 10 عَلَى ٱلۡكَـٰفِرِینَ غَیۡرُ یَسِیرࣲ

    allai Al-Kafirien ghair jasir

    En pijnlijk voor de ongeloovigen.

  11. 11 ذَرۡنِی وَمَنۡ خَلَقۡتُ وَحِیدࣰا

    zarni chalaktoe Wahied

    Laat mij alleen met hem dien ik geschonken heb;

  12. 12 وَجَعَلۡتُ لَهُۥ مَالࣰا مَّمۡدُودࣰا

    wadzjalt mala Mamdoed

    Wien ik overvloedige rijkdommen heb geschapen.

  13. 13 وَبَنِینَ شُهُودࣰا

    Wabënina sjoegoedan

    En kinderen die in zijne tegenwoordigheid wonen;

  14. 14 وَمَهَّدتُّ لَهُۥ تَمۡهِیدࣰا

    vamahhattoe tamhiedan

    Voor wien ik de zaken gemakkelijk en gebaand heb gemaakt,

  15. 15 ثُمَّ یَطۡمَعُ أَنۡ أَزِیدَ

    thoemma jatmoe azida

    En die begeert, dat ik hem nog andere zegeningen zal zenden.

  16. 16 كَلَّاۤۖ إِنَّهُۥ كَانَ لِـَٔایَـٰتِنَا عَنِیدࣰا

    Innahoe kana Le-ajjetiena anidan

    Volstrekt niet; want hij is een tegenstander onzer wonderteekens.

  17. 17 سَأُرۡهِقُهُۥ صَعُودًا

    Sa'oerhikoekoe sa'oenda

    Ik zal hem met ernstige rampen bedroeven;

  18. 18 إِنَّهُۥ فَكَّرَ وَقَدَّرَ

    Innahoe fakara Wakaddara

    Want hij heeft honende uitdrukkingen uitgedacht en gereed gemaakt, om den Koran belachelijk te maken.

  19. 19 فَقُتِلَ كَیۡفَ قَدَّرَ

    fakutila kajfa kadara

    Gevloekt zij hij. Hoe kwaadwillig heeft hij die gereed gemaakt!

  20. 20 ثُمَّ قُتِلَ كَیۡفَ قَدَّرَ

    thoemma koetila kajfa kadara

    En hij moge nog eens gevloekt zijn. Hoe kwaadwillig heeft hij die gereed gemaakt!

  21. 21 ثُمَّ نَظَرَ

    thoemma nazar

    Hij heeft zijne blikken om zich heen geworpen.

  22. 22 ثُمَّ عَبَسَ وَبَسَرَ

    thoemma abas oebasera

    Daarop heeft hij zijn voorhoofd gefronsd en een ernstig gelaat aangenomen.

  23. 23 ثُمَّ أَدۡبَرَ وَٱسۡتَكۡبَرَ

    thoemma adbar Vastakbara

    Vervolgens keerde hij zich van de waarheid en hij was opgeblazen van trotschheid.

  24. 24 فَقَالَ إِنۡ هَـٰذَاۤ إِلَّا سِحۡرࣱ یُؤۡثَرُ

    fakala illa seh-r joe-tha-roe

    En hij zeide: Dit is slechts een goochelstuk, aan anderen ontleend.

  25. 25 إِنۡ هَـٰذَاۤ إِلَّا قَوۡلُ ٱلۡبَشَرِ

    illa kawl Al-basjar

    Dit zijn slechts de woorden van een mensch.

  26. 26 سَأُصۡلِیهِ سَقَرَ

    sa'oeslieh sakara

    Ik zal hem in de hel nederwerpen, om verbrand te worden.

  27. 27 وَمَاۤ أَدۡرَىٰكَ مَا سَقَرُ

    adraka ma sakar

    En wat zal u doen verstaan, wat de hel is?

  28. 28 لَا تُبۡقِی وَلَا تَذَرُ

    t'bki tazaroe

    Zij laat geen ding onverteerd, noch laat eenige zaak ontsnappen.

  29. 29 لَوَّاحَةࣱ لِّلۡبَشَرِ

    Lavvahatoen lil-basjar

    Zij verbrandt des menschen vleesch.

  30. 30 عَلَیۡهَا تِسۡعَةَ عَشَرَ

    alejha tesate asjar

    Negentien engelen zijn daarover geplaatst.

  31. 31 وَمَا جَعَلۡنَاۤ أَصۡحَـٰبَ ٱلنَّارِ إِلَّا مَلَـٰۤىِٕكَةࣰۖ وَمَا جَعَلۡنَا عِدَّتَهُمۡ إِلَّا فِتۡنَةࣰ لِّلَّذِینَ كَفَرُوا۟ لِیَسۡتَیۡقِنَ ٱلَّذِینَ أُوتُوا۟ ٱلۡكِتَـٰبَ وَیَزۡدَادَ ٱلَّذِینَ ءَامَنُوۤا۟ إِیمَـٰنࣰا وَلَا یَرۡتَابَ ٱلَّذِینَ أُوتُوا۟ ٱلۡكِتَـٰبَ وَٱلۡمُؤۡمِنُونَ وَلِیَقُولَ ٱلَّذِینَ فِی قُلُوبِهِم مَّرَضࣱ وَٱلۡكَـٰفِرُونَ مَاذَاۤ أَرَادَ ٱللَّهُ بِهَـٰذَا مَثَلࣰاۚ كَذَ ٰ⁠لِكَ یُضِلُّ ٱللَّهُ مَن یَشَاۤءُ وَیَهۡدِی مَن یَشَاۤءُۚ وَمَا یَعۡلَمُ جُنُودَ رَبِّكَ إِلَّا هُوَۚ وَمَا هِیَ إِلَّا ذِكۡرَىٰ لِلۡبَشَرِ

    vama Djealna Ashab An-nar illa Malā'ika vama ieddeta-hoem illa fitna lil-lazien kafaroewa lejastikina Alladhiena oetoea Al Kitaab wajzada Alladhiena Iman jartaaba Alladhiena oetoea Al Kitaab Walmoeminon Walieakoela Alladhiena fee koeloebiehiem marad Wal kaafiroena maza arada Allah behaza masalan kaza geloof leka joezilloe Allah men Jesja wahdie men vama jalamu dzjoenoeda Rabbi-k illa vama heja illa Zikra liel-basjar

    Wij hebben niemand buiten de engelen aangewezen, om het toezicht over het hellevuur te houden, en wij hebben hun getal slechts uitgedrukt als eene aanleiding tot tweedracht onder de ongeloovigen; opdat zij, aan wie de schriften werden gegeven, zeker mogen zijn van de waarachtigheid van dit boek, en dat de ware geloovigen in geloof mogen vermeerderen. En dat zij, aan wie de schriften werden gegeven en de ware geloovigen, daaraan niet twijfelen; En dat zij, in wier harten een gebrek schuilt, alsmede de ongeloovigen, mogen zeggen: Welke verborgenheid bedoelt God met dit getal? Zoo doet God dwalen naar zijn welbehagen, en hij richt naar zijn welbehagen. Niemand kent de legers van uwen Heer, buiten hem. Dit is slechts eene waarschuwing voor den mensch.

  32. 32 كَلَّا وَٱلۡقَمَرِ

    Wal-kamari

    Zekerlijk. Bij de maan.

  33. 33 وَٱلَّیۡلِ إِذۡ أَدۡبَرَ

    Wal-layli iez adbar

    En den nacht, als die zich verwijdert.

  34. 34 وَٱلصُّبۡحِ إِذَاۤ أَسۡفَرَ

    Vas-soebh asfara

    En den ochtend, als die zich roodkleurt.

  35. 35 إِنَّهَا لَإِحۡدَى ٱلۡكُبَرِ

    Innaha lehdie Al-koebari

    (Zweer ik) dat dit eene der vreeselijkste rampen is.

  36. 36 نَذِیرࣰا لِّلۡبَشَرِ

    Nazier lil-basjar

    Strekkende tot waarschuwing voor den mensch;

  37. 37 لِمَن شَاۤءَ مِنكُمۡ أَن یَتَقَدَّمَ أَوۡ یَتَأَخَّرَ

    sjaa minkoem an jetaqaddama au jetaahhar

    Zoowel voor diegenen uwer, welke vooruit loopen, als voor hen die achterblijven.

  38. 38 كُلُّ نَفۡسِۭ بِمَا كَسَبَتۡ رَهِینَةٌ

    koel-loe nefs bima kesabet rahiena

    Iedere ziel wordt in pand gegeven, voor hetgeen zij zal hebben verricht;

  39. 39 إِلَّاۤ أَصۡحَـٰبَ ٱلۡیَمِینِ

    Ashab Al-Jamien

    Behalve de makkers van de rechterhand.

  40. 40 فِی جَنَّـٰتࣲ یَتَسَاۤءَلُونَ

    fee jetasaëloenoe

    Die in tuinen zullen wonen, en vragen tot elkander zullen

  41. 41 عَنِ ٱلۡمُجۡرِمِینَ

    ane Al-moedjrimien

    Richten nopens de zondaars, (en de snoodaards zelven zullen ondervragen, zeggende:)

  42. 42 مَا سَلَكَكُمۡ فِی سَقَرَ

    ma selakakum fee sakara

    Wat heeft u in de hel gebracht?

  43. 43 قَالُوا۟ لَمۡ نَكُ مِنَ ٱلۡمُصَلِّینَ

    lam nak mina Al-moesallien

    Zij zullen antwoorden: Wij behooren niet tot hen die standvastig in het gebed waren.

  44. 44 وَلَمۡ نَكُ نُطۡعِمُ ٱلۡمِسۡكِینَ

    oe lam nak noetiemoe Al-Miskien

    Nimmer laafden wij de armen.

  45. 45 وَكُنَّا نَخُوضُ مَعَ ٱلۡخَاۤىِٕضِینَ

    oe koenna nachoez ma'a Al Chaa-idien

    Wij baadden ons in lichtvaardige gesprekken met degenen, die zich daartoe leenden.

  46. 46 وَكُنَّا نُكَذِّبُ بِیَوۡمِ ٱلدِّینِ

    oe koenna noekazziboe bjeum ed-Dien

    Wij loochenden den dag des oordeels.

  47. 47 حَتَّىٰۤ أَتَىٰنَا ٱلۡیَقِینُ

    atiana Al-yaqienoe

    Tot de dood ons overviel.

  48. 48 فَمَا تَنفَعُهُمۡ شَفَـٰعَةُ ٱلشَّـٰفِعِینَ

    fama tanfa'oehoem Sjefaaetoe Ash-shafien

    De tusschentreding der tusschenpersonen zal hen niet helpen.

  49. 49 فَمَا لَهُمۡ عَنِ ٱلتَّذۡكِرَةِ مُعۡرِضِینَ

    fama lahum ane At-tazkira moe'riedien

    Wat scheelde hun dus, dat zij zich van de vermaning des Korans afwendden.

  50. 50 كَأَنَّهُمۡ حُمُرࣱ مُّسۡتَنفِرَةࣱ

    ka'annahum hoemoer moestanfirah

    Als waren zij verschrikte ezels,

  51. 51 فَرَّتۡ مِن قَسۡوَرَةِۭ

    Farat min kaswara

    Die den leeuw ontvluchten.

  52. 52 بَلۡ یُرِیدُ كُلُّ ٱمۡرِئࣲ مِّنۡهُمۡ أَن یُؤۡتَىٰ صُحُفࣰا مُّنَشَّرَةࣰ

    joe-rie-doe koel-loe imri minhum an jotja soehoefan moenasjsjara

    Maar ieder van hen wilde, dat hem een bijzonder besluit van God zou toekomen.

  53. 53 كَلَّاۖ بَل لَّا یَخَافُونَ ٱلۡـَٔاخِرَةَ

    Kalla bal la jacha-foena Al-achira

    Volstrekt niet. Zij vreezen het volgende leven niet.

  54. 54 كَلَّاۤ إِنَّهُۥ تَذۡكِرَةࣱ

    Innahoe Tazkira

    Volstrekt niet. Waarlijk, dit is eene toereikende waarschuwing;

  55. 55 فَمَن شَاۤءَ ذَكَرَهُۥ

    faman sjaa dhakarah

    En wie geneigd is, gewaarschuwd te worden, dien zal hij (de Koran) waarschuwen.

  56. 56 وَمَا یَذۡكُرُونَ إِلَّاۤ أَن یَشَاۤءَ ٱللَّهُۚ هُوَ أَهۡلُ ٱلتَّقۡوَىٰ وَأَهۡلُ ٱلۡمَغۡفِرَةِ

    vama jezkoeroen an Yesjaa hoe ahl At-takwa oeahl Al-Maghfira

    Doch zij zullen niet gewaarschuwd worden tenzij het Gode zal behagen. Hij is waardig gevreesd te worden, en hij is geneigd te vergeven.

This surah in other languages