Goddestination

An-Naba

An-Naba

Het Bericht

40 ayahsMeccanNederlands

Now playing Watch on YouTube

بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ ٱلرَّحِیمِ

Bismi Allah Ar-Rahman Ar-Rahim

  1. 1 عَمَّ یَتَسَاۤءَلُونَ

    am jetasaëloenoe

    Nopens wat ondervragen de ongeloovigen elkander?

  2. 2 عَنِ ٱلنَّبَإِ ٱلۡعَظِیمِ

    ane An-Naba Al-Azim

    Nopens het groote nieuws der opstanding.

  3. 3 ٱلَّذِی هُمۡ فِیهِ مُخۡتَلِفُونَ

    al-ladhie hoem fieje moechtalifoen

    Omtrent welke zij niet overeenstemmen.

  4. 4 كَلَّا سَیَعۡلَمُونَ

    sajalmoen

    Waarlijk, zij zullen hiernamaals de waarheid daarvan kennen.

  5. 5 ثُمَّ كَلَّا سَیَعۡلَمُونَ

    thoemma sajalmoen

    Nogmaals, zij zullen hiernamaals de waarheid daarvan kennen.

  6. 6 أَلَمۡ نَجۡعَلِ ٱلۡأَرۡضَ مِهَـٰدࣰا

    Alam nadzjali Al-ard Mehada

    Hebben wij de aarde niet als een bed gespreid.

  7. 7 وَٱلۡجِبَالَ أَوۡتَادࣰا

    Wal-djiebaala otadan

    En de bergen als staken om haar te bevestigen?

  8. 8 وَخَلَقۡنَـٰكُمۡ أَزۡوَ ٰ⁠جࣰا

    Wa chalaqnaakoem azwa geloof dja

    Hebben wij u niet van twee seksen geschapen.

  9. 9 وَجَعَلۡنَا نَوۡمَكُمۡ سُبَاتࣰا

    Wadjaalna nau-moekoem soebatan

    En bepaald dat gij slapen zoudt om te rusten?

  10. 10 وَجَعَلۡنَا ٱلَّیۡلَ لِبَاسࣰا

    Wadjaalna Al-lail libas

    Hebben wij van den nacht, geen kleed gemaakt om u te bedekken.

  11. 11 وَجَعَلۡنَا ٱلنَّهَارَ مَعَاشࣰا

    Wadjaalna An-nahar ma'asjan

    En hebben wij niet den dag bestemd, ten einde daarop uw levensonderhoud te winnen?

  12. 12 وَبَنَیۡنَا فَوۡقَكُمۡ سَبۡعࣰا شِدَادࣰا

    vabanja faukum sab'an sjedadaan

    Hebben wij niet zeven stevige hemelen boven u gebouwd.

  13. 13 وَجَعَلۡنَا سِرَاجࣰا وَهَّاجࣰا

    Wadjaalna Seradzjan wahhag

    En daarin eene brandende lamp geplaatst?

  14. 14 وَأَنزَلۡنَا مِنَ ٱلۡمُعۡصِرَ ٰ⁠تِ مَاۤءࣰ ثَجَّاجࣰا

    en Wij hebben neergezonden mina Al-moe'sira geloof te ma thadjadj

    En doen wij niet, uit de wolken, een overvloed van water stroomen.

  15. 15 لِّنُخۡرِجَ بِهِۦ حَبࣰّا وَنَبَاتࣰا

    Lienoechriedja behi habben unabatan

    Om daardoor graan en kruiden voort te brengen.

  16. 16 وَجَنَّـٰتٍ أَلۡفَافًا

    Wadjannat Alfafan

    En tuinen, dicht beplant met boomen?

  17. 17 إِنَّ یَوۡمَ ٱلۡفَصۡلِ كَانَ مِیقَـٰتࣰا

    Inna jaum Al-Fasli kana mejkaten

    Waarlijk, de dag der scheiding is een onbepaald tijdstip;

  18. 18 یَوۡمَ یُنفَخُ فِی ٱلصُّورِ فَتَأۡتُونَ أَفۡوَاجࣰا

    jaum joenfachoe fee As-Soeri fetaoena afwadzja

    De dag waarop de trompet zal klinken, en gij in scharen ten oordeel zult optrekken.

  19. 19 وَفُتِحَتِ ٱلسَّمَاۤءُ فَكَانَتۡ أَبۡوَ ٰ⁠بࣰا

    vafoetet As-samaa fakanet Abu geloof ba

    De hemelen zullen geopend wezen, en zij zullen vol poorten zijn, om er de engelen te laten doorgaan.

  20. 20 وَسُیِّرَتِ ٱلۡجِبَالُ فَكَانَتۡ سَرَابًا

    Vesijiret Al-djiebaaloe fakanet sarabã

    De bergen zullen voorbijgaan, en als damp worden.

  21. 21 إِنَّ جَهَنَّمَ كَانَتۡ مِرۡصَادࣰا

    Inna Djahannam kanet Mersada

    Waarlijk, de hel zal eene plaats van verbranding zijn;

  22. 22 لِّلطَّـٰغِینَ مَـَٔابࣰا

    Lielattaaghien Maaba

    Eene bergplaats voor de zondaren

  23. 23 لَّـٰبِثِینَ فِیهَاۤ أَحۡقَابࣰا

    labithien ahkaban

    Die daar gedurende eeuwen zullen wonen.

  24. 24 لَّا یَذُوقُونَ فِیهَا بَرۡدࣰا وَلَا شَرَابًا

    la jazoekoen fieha berda sjaraban

    Zij zullen daar geenerlei verversching proeven, noch eenigen drank.

  25. 25 إِلَّا حَمِیمࣰا وَغَسَّاقࣰا

    illa Hameem Vagassakan

    Behalve kokend water en bedorven vocht:

  26. 26 جَزَاۤءࣰ وِفَاقًا

    dzjezaa vefakan

    Eene geschikte vergelding voor hunne daden!

  27. 27 إِنَّهُمۡ كَانُوا۟ لَا یَرۡجُونَ حِسَابࣰا

    Innahum kanoe yardzjoe-ne hissaben

    Want zij hoopten, dat zij geene rekenschap zouden moeten afleggen.

  28. 28 وَكَذَّبُوا۟ بِـَٔایَـٰتِنَا كِذَّابࣰا

    wa kad-dabu be-aa-ja-tie-naa kezzaban

    En zij geloofden niet in onze teekenen, welke zij van valschheid beschuldigden.

  29. 29 وَكُلَّ شَیۡءٍ أَحۡصَیۡنَـٰهُ كِتَـٰبࣰا

    wa koella sjei ah-sai-nah kitaban

    Maar elke zaak hebben wij opgeteld en nedergeschreven.

  30. 30 فَذُوقُوا۟ فَلَن نَّزِیدَكُمۡ إِلَّا عَذَابًا

    fazoekoe Falan Neziedekoem illa azzabaan

    Proef dus de vergelding: wij zullen u niets dan marteling toevoegen.

  31. 31 إِنَّ لِلۡمُتَّقِینَ مَفَازًا

    Inna lil-moettaqien mafazan

    Maar voor de godvruchtigen is eene plaats van heil gereed gemaakt:

  32. 32 حَدَاۤىِٕقَ وَأَعۡنَـٰبࣰا

    hada-ieqa wa-a'naaban

    Tuinen met boomen beplant en wijngaarden.

  33. 33 وَكَوَاعِبَ أَتۡرَابࣰا

    vakawabja atraben

    En maagden met zwellende borsten, van gelijken ouderdom met hen.

  34. 34 وَكَأۡسࣰا دِهَاقࣰا

    Wakas dehaka

    En een vollen beker.

  35. 35 لَّا یَسۡمَعُونَ فِیهَا لَغۡوࣰا وَلَا كِذَّ ٰ⁠بࣰا

    la jesma'oen fieha lagwa kezja geloof ba

    Zij zullen daar geene ijdele gesprekken, of eenige onwaarheid hooren.

  36. 36 جَزَاۤءࣰ مِّن رَّبِّكَ عَطَاۤءً حِسَابࣰا

    dzjezaa min Rabbik ataa hissaben

    Dit zal hunne belooning wezen van hunnen Heer; eene volkomen toereikende gift.

  37. 37 رَّبِّ ٱلسَّمَـٰوَ ٰ⁠تِ وَٱلۡأَرۡضِ وَمَا بَیۡنَهُمَا ٱلرَّحۡمَـٰنِۖ لَا یَمۡلِكُونَ مِنۡهُ خِطَابࣰا

    Rabbie As-samawa geloof te Wal ardi vama bajnahoema jamliekoen minhu hitaben

    Van den Heer over hemel en aarde, en over alles wat daartusschen is: den Barmhartigen; maar de bewoners van den hemel of de aarde zullen hem geen gehoor durven vragen.

  38. 38 یَوۡمَ یَقُومُ ٱلرُّوحُ وَٱلۡمَلَـٰۤىِٕكَةُ صَفࣰّاۖ لَّا یَتَكَلَّمُونَ إِلَّا مَنۡ أَذِنَ لَهُ ٱلرَّحۡمَـٰنُ وَقَالَ صَوَابࣰا

    jaum jakoemoe Ar-roeh-oel Walmalayikatoe la jeta-kallamoen illa aziena Lahoe Ar-Rahman wa kala sawaban

    Den dag waarop de geest (Gabriël) en de andere engelen in orde geschaard zullen staan, zullen zij niet ten behoeve van zich zelven of van anderen spreken, behalve hij alleen, aan wien de Barmhartige verlof zal geven, en die zeggen zal, wat recht is.

  39. 39 ذَ ٰ⁠لِكَ ٱلۡیَوۡمُ ٱلۡحَقُّۖ فَمَن شَاۤءَ ٱتَّخَذَ إِلَىٰ رَبِّهِۦ مَـَٔابًا

    dha geloof leka Al-jawmoe Al-Hakku faman sjaa ittakhatha iela maaban

    Dit is de onvermijdelijke dag. Wie dus wil, laat die tot zijn Heer terugkeeren.

  40. 40 إِنَّاۤ أَنذَرۡنَـٰكُمۡ عَذَابࣰا قَرِیبࣰا یَوۡمَ یَنظُرُ ٱلۡمَرۡءُ مَا قَدَّمَتۡ یَدَاهُ وَیَقُولُ ٱلۡكَافِرُ یَـٰلَیۡتَنِی كُنتُ تُرَ ٰ⁠بَۢا

    Inna andarnakoem azaban kaariiban jaum janzuroe Al mar-oe ma kaddamet jeda-hoe Wa jaqoeloe Al-Kafiroe Jaljetani koentoe toera geloof ba

    Waarlijk, wij bedreigen u met eene straf die nabij ligt. Op den dag waarop de mensch de goede of slechte daden zal aanschouwen, welke zijne handen voor hem uit hebben gezonden, en waarop de on geloovige zal zeggen: God gaf, ik ware stof!

This surah in other languages