Goddestination

Al-Qalam

Al-Qalam

De Pen

52 ayahsMeccanNederlands

Now playing Watch on YouTube

بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ ٱلرَّحِیمِ

Bismi Allah Ar-Rahman Ar-Rahim

  1. 1 نۤۚ وَٱلۡقَلَمِ وَمَا یَسۡطُرُونَ

    Wal-kalem vama jastoeroen

    Noen. (Ik zweer) bij de pen en wat zij (de menschen) schrijven.

  2. 2 مَاۤ أَنتَ بِنِعۡمَةِ رَبِّكَ بِمَجۡنُونࣲ

    anta Beniemati Rabbi-k be medznoen

    Gij, o Mahomet! zijt, door de genade van uwen Heer, geen bezetene.

  3. 3 وَإِنَّ لَكَ لَأَجۡرًا غَیۡرَ مَمۡنُونࣲ

    wa inna laka la'dzjran Ghajra memnun

    Waarlijk, er is u eene eeuwige belooning gereed gemaakt;

  4. 4 وَإِنَّكَ لَعَلَىٰ خُلُقٍ عَظِیمࣲ

    wa-innaka la'ala choeloeqien aziem

    Want gij hebt een verheven karakter.

  5. 5 فَسَتُبۡصِرُ وَیُبۡصِرُونَ

    fastoebsieroe Vajbsiroen

    Gij zult zien en de ongeloovigen zullen het zien.

  6. 6 بِأَییِّكُمُ ٱلۡمَفۡتُونُ

    bejajiekoem Al-Maftoeno

    Wie uwer van zijne zinnen is beroofd.

  7. 7 إِنَّ رَبَّكَ هُوَ أَعۡلَمُ بِمَن ضَلَّ عَن سَبِیلِهِۦ وَهُوَ أَعۡلَمُ بِٱلۡمُهۡتَدِینَ

    Inna Rabbak hoe a'lamu biman dalla an sebieliehie Wahoea a'lamu Biel moehtedien

    Waarlijk, uw Heer kent hen wel, die zijn pad verlaat, en hij kent hen wel, die op den rechten weg geleid worden.

  8. 8 فَلَا تُطِعِ ٱلۡمُكَذِّبِینَ

    fala toe-tie Al-moekaddibien

    Gehoorzaam hen dus niet, die u van bedrog beschuldigen.

  9. 9 وَدُّوا۟ لَوۡ تُدۡهِنُ فَیُدۡهِنُونَ

    vaddu Lauw toedhien fai-du-hu-noon

    Zij begeeren, dat gij hen met zachtheid zoudt behandelen, en dan zouden zij u ook met zachtheid behandelen.

  10. 10 وَلَا تُطِعۡ كُلَّ حَلَّافࣲ مَّهِینٍ

    toetie koella hallafin mahien

    Maar geloof niemand die ieder oogenblik zweert en een verachtelijke is.

  11. 11 هَمَّازࣲ مَّشَّاۤءِۭ بِنَمِیمࣲ

    hammaz Mesjaa Benemein

    Luister niet naar den lasteraar, die met leugens omgaat.

  12. 12 مَّنَّاعࣲ لِّلۡخَیۡرِ مُعۡتَدٍ أَثِیمٍ

    mana lil-chajr moe'tedien asiemien

    Die verbiedt wat goed is; die een overtreder, een snoodaard is.

  13. 13 عُتُلِّۭ بَعۡدَ ذَ ٰ⁠لِكَ زَنِیمٍ

    oetoel bada dha geloof leka zanimi

    De onmeêdoogende en buitendien van onreine geboorte.

  14. 14 أَن كَانَ ذَا مَالࣲ وَبَنِینَ

    an kana za maal Wabënina

    Zelfs indien hij rijkdommen en vele kinderen heeft.

  15. 15 إِذَا تُتۡلَىٰ عَلَیۡهِ ءَایَـٰتُنَا قَالَ أَسَـٰطِیرُ ٱلۡأَوَّلِینَ

    ieza toetla alayhi a-ja-toe-na kala asatieroe Al-awwalien

    Als hem onze teekenen herinnerd worden, zegt hij: Dit zijn fabelen van de ouden.

  16. 16 سَنَسِمُهُۥ عَلَى ٱلۡخُرۡطُومِ

    sansimoehoe allai El Choertoem

    Wij zullen een vurig kenteeken op zijn neus drukken.

  17. 17 إِنَّا بَلَوۡنَـٰهُمۡ كَمَا بَلَوۡنَاۤ أَصۡحَـٰبَ ٱلۡجَنَّةِ إِذۡ أَقۡسَمُوا۟ لَیَصۡرِمُنَّهَا مُصۡبِحِینَ

    Balaunahum balona Ashab Al Djanna iez Aksamoe Lajasrimoenna Moesbiehien

    Waarlijk, wij hebben de bewoners van Mekka beproefd, zooals wij vroeger de eigenaars van den tuin beproefden, toen zij zwoeren, dat zij de vruchten daarvan des ochtends zouden verzamelen.

  18. 18 وَلَا یَسۡتَثۡنُونَ

    jastasnoen

    En er de uitzondering niet bijvoegden: Indien het Gode behaagt.

  19. 19 فَطَافَ عَلَیۡهَا طَاۤىِٕفࣱ مِّن رَّبِّكَ وَهُمۡ نَاۤىِٕمُونَ

    fatafa alejha Taif min Rabbik Wehum Na-iemoenie

    En de tuin werd door eene verwoesting van uwen Heer overvallen, terwijl zij sliepen.

  20. 20 فَأَصۡبَحَتۡ كَٱلصَّرِیمِ

    Fa'asbahat kal-sa-rie-mie

    En des ochtends was die, als een tuin waarvan de vruchten reeds verzameld waren.

  21. 21 فَتَنَادَوۡا۟ مُصۡبِحِینَ

    Fetana dau Moesbiehien

    En zij riepen elkander, toen zij des morgens opstonden, zeggende:

  22. 22 أَنِ ٱغۡدُوا۟ عَلَىٰ حَرۡثِكُمۡ إِن كُنتُمۡ صَـٰرِمِینَ

    ani Egdoe Ala harsikoem in Sarimina

    Ga vroeg naar uwe beplanting, indien gij voornemens zijt de vruchten daarvan te verzamelen.

  23. 23 فَٱنطَلَقُوا۟ وَهُمۡ یَتَخَـٰفَتُونَ

    fantalekoe Wehum jetaḥāfetoen

    Daarop gingen zij, terwijl zij elkander toefluisterden:

  24. 24 أَن لَّا یَدۡخُلَنَّهَا ٱلۡیَوۡمَ عَلَیۡكُم مِّسۡكِینࣱ

    an la jedhoelennaha Al-jauma miskiin

    Geen arme zal heden uwen tuin binnentreden.

  25. 25 وَغَدَوۡا۟ عَلَىٰ حَرۡدࣲ قَـٰدِرِینَ

    Vagadau Ala hard Kadiriena

    En zij vertrokken vroeg, met het voorgestelde doel, niets te geven.

  26. 26 فَلَمَّا رَأَوۡهَا قَالُوۤا۟ إِنَّا لَضَاۤلُّونَ

    falamā ra-aa Kaloe Lazalloena

    Toen zij zagen dat de tuin verzengd en verwoest was, zeiden zij: Wij hebben ons zeker in den weg vergist.

  27. 27 بَلۡ نَحۡنُ مَحۡرُومُونَ

    nahnoe mahroemoen

    (Maar toen zij bevonden dat het hun eigen tuin was), riepen zij uit: Waarlijk, het is ons niet geoorloofd (de vruchten daarvan te plukken).

  28. 28 قَالَ أَوۡسَطُهُمۡ أَلَمۡ أَقُل لَّكُمۡ لَوۡلَا تُسَبِّحُونَ

    kala awsathum Alam akoel lakum lawla toesebbiehoen

    De verstandigste van hen zeide: Heb ik u niet gezegd: Waarom gedenkt gij God niet?

  29. 29 قَالُوا۟ سُبۡحَـٰنَ رَبِّنَاۤ إِنَّا كُنَّا ظَـٰلِمِینَ

    Soebhan konna zalimien

    Zij antwoordden: Geloofd zij onze Heer! Waarlijk, wij waren zondaren.

  30. 30 فَأَقۡبَلَ بَعۡضُهُمۡ عَلَىٰ بَعۡضࣲ یَتَلَـٰوَمُونَ

    fakbala ba'soem Ala bas jetalawoemoen

    En zij begonnen elkander te laken.

  31. 31 قَالُوا۟ یَـٰوَیۡلَنَاۤ إِنَّا كُنَّا طَـٰغِینَ

    Javelna konna Tagina

    En zij zeiden: Wee over ons! waarlijk, wij waren zondaren.

  32. 32 عَسَىٰ رَبُّنَاۤ أَن یُبۡدِلَنَا خَیۡرࣰا مِّنۡهَاۤ إِنَّاۤ إِلَىٰ رَبِّنَا رَ ٰ⁠غِبُونَ

    asa Rabboena an joebdielana haijren minha Inna iela Rabiena ra geloof ghieboen

    Misschien zal onze Heer ons een beteren tuin dan dezen in ruiling geven; en wij smeeken onzen Heer ernstig, ons vergiffenis te schenken.

  33. 33 كَذَ ٰ⁠لِكَ ٱلۡعَذَابُۖ وَلَعَذَابُ ٱلۡـَٔاخِرَةِ أَكۡبَرُۚ لَوۡ كَانُوا۟ یَعۡلَمُونَ

    kaza geloof leka Al-azaaboe velaazhabu Al-akhirati akbaru Lauw kanoe ja'lamoen

    Dit is de kastijding van dit leven; maar de kastijding van het volgende leven zal gestrenger zijn. Indien zij het geweten hadden, zouden zij zich in acht genomen hebben.

  34. 34 إِنَّ لِلۡمُتَّقِینَ عِندَ رَبِّهِمۡ جَنَّـٰتِ ٱلنَّعِیمِ

    Inna lil-moettaqien enda Rabbiem Djanna An-Na'im

    Waarlijk, voor de vromen zijn, door hunnen Heer, heerlijke tuinen gereed gemaakt.

  35. 35 أَفَنَجۡعَلُ ٱلۡمُسۡلِمِینَ كَٱلۡمُجۡرِمِینَ

    afanadj-alu Al-Muslimien Kalmoedzjrimien

    Zouden wij met de Moslems, even als met de zondaren handelen?

  36. 36 مَا لَكُمۡ كَیۡفَ تَحۡكُمُونَ

    ma lakum kajfa tahkoemoen

    Wat scheelt u, dat gij aldus oordeelt?

  37. 37 أَمۡ لَكُمۡ كِتَـٰبࣱ فِیهِ تَدۡرُسُونَ

    am lakum kitab fieje tadroesoen

    Hebt gij een boek (van den hemel) waarin gij leest.

  38. 38 إِنَّ لَكُمۡ فِیهِ لَمَا تَخَیَّرُونَ

    Inna lakum fieje Lama tachajroen

    Dat gij datgene zult verkrijgen, wat gij zult verkiezen?

  39. 39 أَمۡ لَكُمۡ أَیۡمَـٰنٌ عَلَیۡنَا بَـٰلِغَةٌ إِلَىٰ یَوۡمِ ٱلۡقِیَـٰمَةِ إِنَّ لَكُمۡ لَمَا تَحۡكُمُونَ

    am lakum ajman alejna baliegatoen iela jaum Al-Qiyamah Inna lakum Lama tahkoemoen

    Of hebt gij eeden ontvangen, die ons op den dag der opstanding zullen binden, dat gij zult genieten wat gij u verbeeldt?

  40. 40 سَلۡهُمۡ أَیُّهُم بِذَ ٰ⁠لِكَ زَعِیمٌ

    Selhoem ajoehoem beza geloof leka za'im

    Vraag hun wie van hen dit waarborgt.

  41. 41 أَمۡ لَهُمۡ شُرَكَاۤءُ فَلۡیَأۡتُوا۟ بِشُرَكَاۤىِٕهِمۡ إِن كَانُوا۟ صَـٰدِقِینَ

    am lahum Sjoeroekaa faljatoe Beshurakaihim in kanoe Sadikiena

    Of hebben zij makkers, die borg voor hen blijven? Laat hen dan hunne makkers toonen, indien zij de waarheid spreken.

  42. 42 یَوۡمَ یُكۡشَفُ عَن سَاقࣲ وَیُدۡعَوۡنَ إِلَى ٱلسُّجُودِ فَلَا یَسۡتَطِیعُونَ

    jaum joksjefoe an sak wajdawna ielè As-soedjoedie fala jastai-oenoen

    Op een zekeren dag zal het been ontbloot worden, en zij zullen opgeroepen worden om te aanbidden; maar zij zullen daartoe niet in staat zijn.

  43. 43 خَـٰشِعَةً أَبۡصَـٰرُهُمۡ تَرۡهَقُهُمۡ ذِلَّةࣱۖ وَقَدۡ كَانُوا۟ یُدۡعَوۡنَ إِلَى ٱلسُّجُودِ وَهُمۡ سَـٰلِمُونَ

    chasjiea absaroehoem tarhakoehoem Wakid kanoe joedaoena ielè As-soedjoedie Wehum Salimoenoe

    Hunne oogen zullen nedergeslagen zijn en zij zullen door de schande worden gevolgd, omdat zij tot de vereering van God werden uitgenoodigd, terwijl zij in zekerheid waren, maar niet wilden hooren.

  44. 44 فَذَرۡنِی وَمَن یُكَذِّبُ بِهَـٰذَا ٱلۡحَدِیثِۖ سَنَسۡتَدۡرِجُهُم مِّنۡ حَیۡثُ لَا یَعۡلَمُونَ

    fazni Vaman joekazziboe behaza Al-Hadith sanastadrixum haithoe ja'lamoen

    Spreek dus niet ten gunste van hen, die deze openbaring van bedrog beschuldigen. Wij zullen hen allengs tot de vernietiging voeren, langs wegen die zij niet kennen.

  45. 45 وَأُمۡلِی لَهُمۡۚ إِنَّ كَیۡدِی مَتِینٌ

    Oe-amlie Inna kajdie metien

    Ik zal hun een ruimen tijd verleenen; want mijne krijgslist is onfeilbaar.

  46. 46 أَمۡ تَسۡـَٔلُهُمۡ أَجۡرࣰا فَهُم مِّن مَّغۡرَمࣲ مُّثۡقَلُونَ

    am tas-aloem fahm min maghram moethkaloen

    Vraagt gij hun eenige belooning voor uwe prediking? Maar zij zijn met schulden beladen.

  47. 47 أَمۡ عِندَهُمُ ٱلۡغَیۡبُ فَهُمۡ یَكۡتُبُونَ

    am indahumu Al-ghaib jaktubun

    Zijn de geheimen der toekomst met hen, en schrijven zij die van de tafel van Gods besluiten af?

  48. 48 فَٱصۡبِرۡ لِحُكۡمِ رَبِّكَ وَلَا تَكُن كَصَاحِبِ ٱلۡحُوتِ إِذۡ نَادَىٰ وَهُوَ مَكۡظُومࣱ

    fasbir lehukmi Rabbi-k tekun ka-sa-hiebie Al-hoet iez Nadia Wahoea makzoem

    Wacht dus geduldig het oordeel van uwen Heer af, en wees niet zoo als hij, die door den visch werd verzwolgen toen hij God aanriep, terwijl hij innerlijk toornig was.

  49. 49 لَّوۡلَاۤ أَن تَدَ ٰ⁠رَكَهُۥ نِعۡمَةࣱ مِّن رَّبِّهِۦ لَنُبِذَ بِٱلۡعَرَاۤءِ وَهُوَ مَذۡمُومࣱ

    lau-la an tëda geloof Rakahoe Niemah min Rabbihi lanoebiedha Bil'ara Wahoea mazmoen

    Had de genade van zijn Heer hem niet bereikt, dan ware hij zeker, met schaamte bedekt, op de naaste kust geworpen geworden.

  50. 50 فَٱجۡتَبَـٰهُ رَبُّهُۥ فَجَعَلَهُۥ مِنَ ٱلصَّـٰلِحِینَ

    fedge-tebaa-hoe Rabboehoe fadzjallohoe mina As-saalihien

    Maar zijn Heer koos hem, en maakte hem tot een der rechtvaardigen.

  51. 51 وَإِن یَكَادُ ٱلَّذِینَ كَفَرُوا۟ لَیُزۡلِقُونَكَ بِأَبۡصَـٰرِهِمۡ لَمَّا سَمِعُوا۟ ٱلذِّكۡرَ وَیَقُولُونَ إِنَّهُۥ لَمَجۡنُونࣱ

    Vuh-in Yakadoe Alladhiena kafaroewa lajoezliekoenak be'absarihim Lama samiu Adh-Dhikr Wayaqoeloen Innahoe leh muhdzjnoon

    Er ontbreekt slechts weinig aan, of de ongeloovigen zouden u met hunne arglistige blikken nederwerpen, als zij de vermaning van den Koran hooren; en zij zeggen: Hij is zekerlijk bezeten.

  52. 52 وَمَا هُوَ إِلَّا ذِكۡرࣱ لِّلۡعَـٰلَمِینَ

    vama hoe illa Zikr Lielalamiena

    Maar hij (de Koran) is slechts eene vermaning aan alle schepselen.

This surah in other languages