Al-Waaqia
Al-Waqi'a
De Onvermijdelijke Gebeurtenis
بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ ٱلرَّحِیمِ
Bismi Allah Ar-Rahman Ar-Rahim
- 1 إِذَا وَقَعَتِ ٱلۡوَاقِعَةُ
ieza waqati Al-Waqi'ah
Als de onvermijdelijke dag des oordeels plotseling zal komen.
- 2 لَیۡسَ لِوَقۡعَتِهَا كَاذِبَةٌ
lejsa leva'atiha kazieba
Zal geene ziel de voorspelling zijner komst van valschheid beschuldigen.
- 3 خَافِضَةࣱ رَّافِعَةٌ
chafedha Rafia
Sommigen zullen daardoor vernederd, en anderen verheven worden.
- 4 إِذَا رُجَّتِ ٱلۡأَرۡضُ رَجࣰّا
ieza roezjet Al-ard redjen
Als de aarde door een hevigen schok zal geschud worden.
- 5 وَبُسَّتِ ٱلۡجِبَالُ بَسࣰّا
vabust Al-djiebaaloe bassan
En de bergen in stukken zullen springen.
- 6 فَكَانَتۡ هَبَاۤءࣰ مُّنۢبَثࣰّا
fakanet habaa moenbathā
En als weggeblazen stof zullen worden.
- 7 وَكُنتُمۡ أَزۡوَ ٰجࣰا ثَلَـٰثَةࣰ
waa koentom azwa geloof dja salasa
En gij, menschen, in drie duidelijke klassen zult verdeeld worden.
- 8 فَأَصۡحَـٰبُ ٱلۡمَیۡمَنَةِ مَاۤ أَصۡحَـٰبُ ٱلۡمَیۡمَنَةِ
fa'ashab Al-Maimana Ashabu Al-Maimana
De makkers van de rechterhand (hoe gelukkig zullen de makkers der rechterhand wezen).
- 9 وَأَصۡحَـٰبُ ٱلۡمَشۡـَٔمَةِ مَاۤ أَصۡحَـٰبُ ٱلۡمَشۡـَٔمَةِ
Wa ashaab Al-Masjamati Ashabu Al-Masjamati
En de makkers der linkerhand, (hoe ellendig zullen de makkers der linkerhand zijn);
- 10 وَٱلسَّـٰبِقُونَ ٱلسَّـٰبِقُونَ
walsaabikuun As-sabiqoen
En zij, die anderen in het geloof zijn voorgegaan, zullen hen in het paradijs voorafgaan.
- 11 أُو۟لَـٰۤىِٕكَ ٱلۡمُقَرَّبُونَ
oela-ieka Al-moekarrabun
Dat zijn zij, die God zullen naderen.
- 12 فِی جَنَّـٰتِ ٱلنَّعِیمِ
fee Djanna An-Na'im
Zij zullen in tuinen van vermaak wonen.
- 13 ثُلَّةࣱ مِّنَ ٱلۡأَوَّلِینَ
thoella min Al-awwalien
Daar zullen velen van de vroegere godsdiensten.
- 14 وَقَلِیلࣱ مِّنَ ٱلۡـَٔاخِرِینَ
Wakiel min Al-akhirien
En enkelen van den lateren zijn.
- 15 عَلَىٰ سُرُرࣲ مَّوۡضُونَةࣲ
Ala mauzoenah
Rustende op zetels met goud en edelgesteenten versierd.
- 16 مُّتَّكِـِٔینَ عَلَیۡهَا مُتَقَـٰبِلِینَ
moettekiena alejha mutaqabilina
En tegenover elkander daarop zittende.
- 17 یَطُوفُ عَلَیۡهِمۡ وِلۡدَ ٰنࣱ مُّخَلَّدُونَ
djatuufu alayhim weld geloof nã moechalladoen
Jonge lieden, die eeuwig jong zullen blijven, zullen om hen heen gaan, om hen te bedienen.
- 18 بِأَكۡوَابࣲ وَأَبَارِیقَ وَكَأۡسࣲ مِّن مَّعِینࣲ
beakwabin wa a-ba-rie-ka Wakas min Main
Met bekers, kroezen en schalen met vloeienden wijn.
- 19 لَّا یُصَدَّعُونَ عَنۡهَا وَلَا یُنزِفُونَ
la joe-sed-ah-oen anha joen-zefoen
Hunne hoofden zullen geen pijn gevoelen, door dien te drinken, en hun verstand zal niet beneveld worden.
- 20 وَفَـٰكِهَةࣲ مِّمَّا یَتَخَیَّرُونَ
mimma jeta khajroen
En met vruchten, van de soorten, welke zij zullen kiezen.
- 21 وَلَحۡمِ طَیۡرࣲ مِّمَّا یَشۡتَهُونَ
velahmi tajr mimma jasjtoeona
En het vleesch van de vogelsoort, welke zij zullen begeeren.
- 22 وَحُورٌ عِینࣱ
Wahoer ain
Daar zullen zij door schoone maagden worden vergezeld,
- 23 كَأَمۡثَـٰلِ ٱللُّؤۡلُوِٕ ٱلۡمَكۡنُونِ
ka amthal Alloeloeie Al-Maknoen
Met groote, zwarte oogen, gelijkende op paarlen, die in hare schelpen verborgen zijn.
- 24 جَزَاۤءَۢ بِمَا كَانُوا۟ یَعۡمَلُونَ
dzjaza bima kanoe ja'maloen
Dit zal een belooning wezen, voor hetgeen zij zullen hebben verricht.
- 25 لَا یَسۡمَعُونَ فِیهَا لَغۡوࣰا وَلَا تَأۡثِیمًا
jesma'oen fieha lagwa ta'thieman
Daar zullen zij geene ijdele gesprekken hooren of eenige aansporing tot zonde.
- 26 إِلَّا قِیلࣰا سَلَـٰمࣰا سَلَـٰمࣰا
illa Kiela salaam salaam
Maar alleen de begroeting: Vrede! vrede!
- 27 وَأَصۡحَـٰبُ ٱلۡیَمِینِ مَاۤ أَصۡحَـٰبُ ٱلۡیَمِینِ
Wa ashaab Al-Jamien Ashabu Al-Jamien
En de makkers der rechterhand (hoe gelukkig zullen de makkers der rechterhand wezen!)
- 28 فِی سِدۡرࣲ مَّخۡضُودࣲ
fee sedr mahoed
Zullen hun verblijf houden onder lotusboomen, vrij van doornen.
- 29 وَطَلۡحࣲ مَّنضُودࣲ
Vetalh manzoed
En banaan-boomen, geregeld beladen met hunne voortbrengselen, van den top tot den stam.
- 30 وَظِلࣲّ مَّمۡدُودࣲ
Vaziel Mamdoed
In de uitgebreide schaduw.
- 31 وَمَاۤءࣲ مَّسۡكُوبࣲ
wama meskoeb
Nabij een stroomend water.
- 32 وَفَـٰكِهَةࣲ كَثِیرَةࣲ
katira
En te midden van een overvloed van vruchten.
- 33 لَّا مَقۡطُوعَةࣲ وَلَا مَمۡنُوعَةࣲ
la makt-oe-a mamnoeah
Welke niemand zal afsnijden, en waarvan de inzameling niet zal verboden zijn.
- 34 وَفُرُشࣲ مَّرۡفُوعَةٍ
vafoeroesj merfoe-a
En zij zullen op verheven bedden uitrusten.
- 35 إِنَّاۤ أَنشَأۡنَـٰهُنَّ إِنشَاۤءࣰ
Inna Ansha'nahunna Insha
Waarlijk, wij hebben de maagden van het paradijs door eene bijzondere schepping gevormd;
- 36 فَجَعَلۡنَـٰهُنَّ أَبۡكَارًا
fadzjalnahoenna abkaran
En wij hebben haar tot maagden gemaakt.
- 37 عُرُبًا أَتۡرَابࣰا
oeroeban atraben
Bemind door hare echtgenooten, die van gelijken ouderdom met haar zijn.
- 38 لِّأَصۡحَـٰبِ ٱلۡیَمِینِ
Leasjabie Al-Jamien
Tot de geneugten der makkers van de rechterhand.
- 39 ثُلَّةࣱ مِّنَ ٱلۡأَوَّلِینَ
thoella min Al-awwalien
Daar zullen velen van de vroegere godsdiensten.
- 40 وَثُلَّةࣱ مِّنَ ٱلۡـَٔاخِرِینَ
wasoella min Al-akhirien
En velen van den lateren zijn.
- 41 وَأَصۡحَـٰبُ ٱلشِّمَالِ مَاۤ أَصۡحَـٰبُ ٱلشِّمَالِ
Wa ashaab Ash-Shimaali Ashabu Ash-Shimaali
En de makkers van de linkerhand (hoe ellendig zullen de makkers der linkerhand zijn).
- 42 فِی سَمُومࣲ وَحَمِیمࣲ
fee samoem Wehhiem
Zullen wonen te midden van brandende, verpestende winden en kokend water.
- 43 وَظِلࣲّ مِّن یَحۡمُومࣲ
Vaziel min jahmoem
Onder de schaduw van zwarten rook.
- 44 لَّا بَارِدࣲ وَلَا كَرِیمٍ
la barid Keriem
Die noch koel, noch aangenaam zal wezen.
- 45 إِنَّهُمۡ كَانُوا۟ قَبۡلَ ذَ ٰلِكَ مُتۡرَفِینَ
Innahum kanoe kibla dha geloof leka moetrefiena
Want zij genoten de genoegens van het leven, vóór dit, terwijl zij op de aarde waren.
- 46 وَكَانُوا۟ یُصِرُّونَ عَلَى ٱلۡحِنثِ ٱلۡعَظِیمِ
waa kanoe joe-srroe-na allai Al-Hinthi Al-Azim
En zij volhardden stijfhoofdig in eene hatelijke zondigheid.
- 47 وَكَانُوا۟ یَقُولُونَ أَىِٕذَا مِتۡنَا وَكُنَّا تُرَابࣰا وَعِظَـٰمًا أَءِنَّا لَمَبۡعُوثُونَ
waa kanoe jaqoeloen a-ie-za Metna oe koenna turaban Waizama A inna lembe'oethoen
En zij zeiden: Nadat wij zullen gestorven, en tot stof en beenderen geworden zijn, zullen wij dan zekerlijk tot het leven worden opgewekt?
- 48 أَوَءَابَاۤؤُنَا ٱلۡأَوَّلُونَ
Awaabaauna Al-awwalun
Zullen onze vaderen ook met ons worden opgewekt?
- 49 قُلۡ إِنَّ ٱلۡأَوَّلِینَ وَٱلۡـَٔاخِرِینَ
koel Inna Al-awwalien Wal aakhirien
Zeg: waarlijk, zoowel de vroegeren als de lateren.
- 50 لَمَجۡمُوعُونَ إِلَىٰ مِیقَـٰتِ یَوۡمࣲ مَّعۡلُومࣲ
lamadzdjmu'oeun iela meykat jaum ma'loem
Zullen zekerlijk op den vooraf bepaalden tijd van een bekenden dag worden bijeen verzameld, om geoordeeld te worden.
- 51 ثُمَّ إِنَّكُمۡ أَیُّهَا ٱلضَّاۤلُّونَ ٱلۡمُكَذِّبُونَ
thoemma aijuha Adh-dhaalloena Al-moekazziboen
En gij, o menschen! die gedwaald, en de opstanding als eene valschheid geloochend hebt.
- 52 لَـَٔاكِلُونَ مِن شَجَرࣲ مِّن زَقُّومࣲ
leakieloena min sjadzjar min Zakkoem
Gij zult zekerlijk eten van de vrucht des booms van al Zakkoem.
- 53 فَمَالِـُٔونَ مِنۡهَا ٱلۡبُطُونَ
Famaliun minha al-boetoen
Gij zult uwen buik daarmede vullen.
- 54 فَشَـٰرِبُونَ عَلَیۡهِ مِنَ ٱلۡحَمِیمِ
fesjarieboen alayhi mina Al-Hamiem
En gij zult daar kokend water drinken.
- 55 فَشَـٰرِبُونَ شُرۡبَ ٱلۡهِیمِ
fesjarieboen Sjoerb Al-Hiem
Gij zult drinken, zooals een dorstige kameel drinkt.
- 56 هَـٰذَا نُزُلُهُمۡ یَوۡمَ ٱلدِّینِ
haza noezoeloehoem jaum ed-Dien
Dit zal hunne uitspanning op den dag des oordeels zijn.
- 57 نَحۡنُ خَلَقۡنَـٰكُمۡ فَلَوۡلَا تُصَدِّقُونَ
nahnoe chaleqnakum Falolla toe-seddie-koe-on
Wij hebben u geschapen; wilt gij dus niet gelooven, dat wij u van den dood kunnen opwekken? Wat denkt gij?
- 58 أَفَرَءَیۡتُم مَّا تُمۡنُونَ
Afara-ejtum maa temnun
Het zaad dat gij uitwerpt.
- 59 ءَأَنتُمۡ تَخۡلُقُونَهُۥۤ أَمۡ نَحۡنُ ٱلۡخَـٰلِقُونَ
aantum tachloekoenoehoe am nahnoe Al-chalikoen
Schept gij dat, of zijn wij er de schepper van?
- 60 نَحۡنُ قَدَّرۡنَا بَیۡنَكُمُ ٱلۡمَوۡتَ وَمَا نَحۡنُ بِمَسۡبُوقِینَ
nahnoe kadarna bjenkoem Al maut vama nahnoe bimasboekiena
Wij hebben voor u allen den dood bepaald, en wij zullen daarin door niemand worden belet.
- 61 عَلَىٰۤ أَن نُّبَدِّلَ أَمۡثَـٰلَكُمۡ وَنُنشِئَكُمۡ فِی مَا لَا تَعۡلَمُونَ
an noebeddiela amsalakum Venunshiekoem fee ma ta'lamoena
Wij zijn in staat anderen, gelijk gij in uw plaats te stellen, en u terug te brengen in den toestand of den vorm, dien gij niet kent.
- 62 وَلَقَدۡ عَلِمۡتُمُ ٱلنَّشۡأَةَ ٱلۡأُولَىٰ فَلَوۡلَا تَذَكَّرُونَ
Vuh-lakd alimtumu An-nash'ah Al-oela Falolla tazakkaroena
Gij kent de schepping; wilt gij dus niet overwegen, dat wij u, door u op te wekken, weder kunnen voortbrengen?
- 63 أَفَرَءَیۡتُم مَّا تَحۡرُثُونَ
Afara-ejtum maa tah-roe-thoen
Wat denkt gij? Het graan dat gij zaait.
- 64 ءَأَنتُمۡ تَزۡرَعُونَهُۥۤ أَمۡ نَحۡنُ ٱلزَّ ٰرِعُونَ
aantum tazra'oenohoe am nahnoe Alzja geloof riun
Doet gij dat uitbotten, of doen wij dat voortspruiten?
- 65 لَوۡ نَشَاۤءُ لَجَعَلۡنَـٰهُ حُطَـٰمࣰا فَظَلۡتُمۡ تَفَكَّهُونَ
Lauw nesja ledzjel'nahoe fazaltoem tafakkoehun
Indien het ons behaagde, waarlijk, wij konden het droog en onvruchtbaar maken, zoodat gij niet zoudt ophouden u te verwonderen, zeggende:
- 66 إِنَّا لَمُغۡرَمُونَ
lamoegramoen
Waarlijk, wij hebben verbintenissen aangegaan voor zaad en arbeid,
- 67 بَلۡ نَحۡنُ مَحۡرُومُونَ
nahnoe mahroemoen
Maar het is ons niet geoorloofd, de vruchten daarvan te oogsten.
- 68 أَفَرَءَیۡتُمُ ٱلۡمَاۤءَ ٱلَّذِی تَشۡرَبُونَ
Afara'ejtoem Al-maa al-ladhie Tasjrabuna
Wat denkt gij? Het water dat gij drinkt.
- 69 ءَأَنتُمۡ أَنزَلۡتُمُوهُ مِنَ ٱلۡمُزۡنِ أَمۡ نَحۡنُ ٱلۡمُنزِلُونَ
aantum anzaltoemooehoe mina Al-Moeznie am nahnoe Al-moenzieloen
Zendt gij dat uit de wolken neder, of zenden wij het?
- 70 لَوۡ نَشَاۤءُ جَعَلۡنَـٰهُ أُجَاجࣰا فَلَوۡلَا تَشۡكُرُونَ
Lauw nesja Dja'alnaah oedzjadzj Falolla tashkoeroen
Indien het ons behaagde, zouden wij het brak kunnen maken. Zult gij dus niet dankbaar wezen?
- 71 أَفَرَءَیۡتُمُ ٱلنَّارَ ٱلَّتِی تُورُونَ
Afara'ejtoem An-naar Al-latie toerun
Wat denkt gij? Het vuur, dat gij door wrijving verkrijgt,
- 72 ءَأَنتُمۡ أَنشَأۡتُمۡ شَجَرَتَهَاۤ أَمۡ نَحۡنُ ٱلۡمُنشِـُٔونَ
aantum ansja'tum sjadjarataha am nahnoe Al-Moesjioen
Brengt gij den boom voort, waardoor gij dat doet ontstaan? Of brengen wij dien voort?
- 73 نَحۡنُ جَعَلۡنَـٰهَا تَذۡكِرَةࣰ وَمَتَـٰعࣰا لِّلۡمُقۡوِینَ
nahnoe Dja'alnaha vamataan Lil-moekwienien
Wij hebben dit als eene vermaning bevolen en tot een voordeel voor hen, die door de woestijnen reizen.
- 74 فَسَبِّحۡ بِٱسۡمِ رَبِّكَ ٱلۡعَظِیمِ
fesabbih besmi Rabbi-k Al-Azim
Prijst dus den naam van uwen Heer, den grooten God.
- 75 ۞ فَلَاۤ أُقۡسِمُ بِمَوَ ٰقِعِ ٱلنُّجُومِ
Oeksiemoe bimova geloof kje An-noedjoem
Ik zweer echter, bij het ondergaan der sterren.
- 76 وَإِنَّهُۥ لَقَسَمࣱ لَّوۡ تَعۡلَمُونَ عَظِیمٌ
Wa innahoe Lakasamun lau ta'lamoena aziem
(En waarlijk, dit is een groote eed, indien gij het slechts wist!)
- 77 إِنَّهُۥ لَقُرۡءَانࣱ كَرِیمࣱ
Innahoe laqoer-aan
Dat dit de uitmuntende Koran is.
- 78 فِی كِتَـٰبࣲ مَّكۡنُونࣲ
fee makunun
Waarvan het oorspronkelijke in het welbewaarde boek is geschreven.
- 79 لَّا یَمَسُّهُۥۤ إِلَّا ٱلۡمُطَهَّرُونَ
la jamoes-soehoe illa Al-moetahharoen
Niemand zal het aanraken, behalve zij, die rein zijn.
- 80 تَنزِیلࣱ مِّن رَّبِّ ٱلۡعَـٰلَمِینَ
Tanziel min Rabbie Al-alemien
Het is eene openbaring van den Heer van alle schepselen.
- 81 أَفَبِهَـٰذَا ٱلۡحَدِیثِ أَنتُم مُّدۡهِنُونَ
A fa bi haza moedhienoen
Zult gij dus deze nieuwe openbaring verachten?
- 82 وَتَجۡعَلُونَ رِزۡقَكُمۡ أَنَّكُمۡ تُكَذِّبُونَ
Wa tadzj'aloena rizkakoem anakoem toekazzieboen
En is dit uwe vergelding voor uw voedsel, hetwelk gij van God ontvangt, dat gij u zelven loochent, hem daarvoor verplicht te zijn?
- 83 فَلَوۡلَاۤ إِذَا بَلَغَتِ ٱلۡحُلۡقُومَ
ieza balagati Al-hoelkoem
Als de ziel van een stervend mensch tot zijne keel opstijgt.
- 84 وَأَنتُمۡ حِینَىِٕذࣲ تَنظُرُونَ
wa-antum hieniez tenzoeroena
En gij op hetzelfde oogenblik rond ziet.
- 85 وَنَحۡنُ أَقۡرَبُ إِلَیۡهِ مِنكُمۡ وَلَـٰكِن لَّا تُبۡصِرُونَ
Wa nahnoe akrabu ilayhi minkoem velakin la toebsieroen
(En wij zijn hem nader dan gij; maar gij ziet zijn waren toestand niet).
- 86 فَلَوۡلَاۤ إِن كُنتُمۡ غَیۡرَ مَدِینِینَ
in Ghajra Medinina
Zoudt gij dan niet, indien gij hier namaals niet voor uwe daden werdt vergolden.
- 87 تَرۡجِعُونَهَاۤ إِن كُنتُمۡ صَـٰدِقِینَ
tardzjie-oenaha in Sadikiena
Die in het lichaam doen terugkeeren, indien gij de waarheid spreekt?
- 88 فَأَمَّاۤ إِن كَانَ مِنَ ٱلۡمُقَرَّبِینَ
in kana mina Al-moeqarrabiena
En voor hem die tot degenen behoort, welke God zullen naderen.
- 89 فَرَوۡحࣱ وَرَیۡحَانࣱ وَجَنَّتُ نَعِیمࣲ
Faroeh Waraiehan Wa djannatoe Na'im
Zal de belooning zijn, rust, genade en een tuin van vermaak.
- 90 وَأَمَّاۤ إِن كَانَ مِنۡ أَصۡحَـٰبِ ٱلۡیَمِینِ
in kana Ashabi Al-Jamien
En behoort hij tot de makkers der rechterhand.
- 91 فَسَلَـٰمࣱ لَّكَ مِنۡ أَصۡحَـٰبِ ٱلۡیَمِینِ
feselaam laka Ashabi Al-Jamien
Dan zal hij gegroet worden met de begroeting: Vrede zij over u! door de makkers der rechterhand, zijne broeders.
- 92 وَأَمَّاۤ إِن كَانَ مِنَ ٱلۡمُكَذِّبِینَ ٱلضَّاۤلِّینَ
in kana mina Al-moekaddibien Adh-dhaallien
Of, indien hij tot hen behoort, die het ware geloof (den profeet) verworpen hebben. En afgedwaald zijn.
- 93 فَنُزُلࣱ مِّنۡ حَمِیمࣲ
fanuzul
Zijn voedsel zal kokend water wezen.
- 94 وَتَصۡلِیَةُ جَحِیمٍ
Wa tasliatoe Djahim
En de verbranding door het hellevuur.
- 95 إِنَّ هَـٰذَا لَهُوَ حَقُّ ٱلۡیَقِینِ
Inna haza lahoe-wa Hakkoe Al-Yaqīnie
Waarlijk, dit is een zekere waarheid.
- 96 فَسَبِّحۡ بِٱسۡمِ رَبِّكَ ٱلۡعَظِیمِ
fesabbih besmi Rabbi-k Al-Azim
Daarom prijst den naam van uwen Heer, den grooten God.
This surah in other languages
- বাংলা আল-ওয়াকিয়াহ
- Bosanski El-Vakija
- Нохчийн Аль-Вакиъа
- Deutsch Al-Wāqiʿa
- English Al-Wāqiʿah
- Español Al-Wāqiʿa
- فارسی الواقعه
- Français Al-Wāqiʿa
- Hausa Al-Wāqi'ah
- עברית אל-וואקיעה
- हिन्दी अल-वाक़िआ
- Bahasa Indonesia Al-Waqi'ah
- 日本語 アル=ワーキア
- 한국어 알-와키아
- کوردی El-Waqi'e
- Bahasa Melayu Al-Waqi'ah
- Nederlands Al-Waqi'a
- پنجابی الواقعه
- ਪੰਜਾਬੀ ਅਲ-ਵਾਕਿਆਹ
- پښتو ال-واقعه
- Português Al-Wāqiʿah
- Русский Аль-Ваки‘а
- Soomaaliga Al-Waaqi'ah
- Shqip El-Vakia
- Kiswahili Al-Waaqia
- தமிழ் அல்-வாகிஆ
- ไทย อัล-วากิอะฮ์
- Türkçe El-Vakıa
- اردو الواقعہ
- Oʻzbek Al-Voqia
- 中文 瓦基阿