Goddestination

Al-Qamar

Al-Qamar

De Maan

55 ayahsMeccanNederlands

Now playing Watch on YouTube

بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ ٱلرَّحِیمِ

Bismi Allah Ar-Rahman Ar-Rahim

  1. 1 ٱقۡتَرَبَتِ ٱلسَّاعَةُ وَٱنشَقَّ ٱلۡقَمَرُ

    iekterabet As-sa'a Van sjiek-ka Al-koemaroe

    Het uur des oordeels nadert en de maan is gespleten.

  2. 2 وَإِن یَرَوۡا۟ ءَایَةࣰ یُعۡرِضُوا۟ وَیَقُولُوا۟ سِحۡرࣱ مُّسۡتَمِرࣱّ

    Vuh-in jaroewa Aya ju-rief-oe Wa jaqoeloe seh-r moestamir

    Maar als de ongeloovigen een teeken zien, wenden zij zich af, zeggende: dit is eene machtige betoovering.

  3. 3 وَكَذَّبُوا۟ وَٱتَّبَعُوۤا۟ أَهۡوَاۤءَهُمۡۚ وَكُلُّ أَمۡرࣲ مُّسۡتَقِرࣱّ

    wa kad-dabu ahwaahum wa koel-loe amr moestakirr

    En zij beschuldigen u, o Mahomet! van bedrog, en volgen hunne eigene lusten: maar ieder ding zal onveranderlijk bepaald wezen.

  4. 4 وَلَقَدۡ جَاۤءَهُم مِّنَ ٱلۡأَنۢبَاۤءِ مَا فِیهِ مُزۡدَجَرٌ

    Vuh-lakd Djaa-hoem min Al-Anbā ma fieje mozdjar

    En nu is eene zending tot hen gekomen, waarin eene afschrikking voor hardnekkig ongeloof ligt opgesloten.

  5. 5 حِكۡمَةُۢ بَـٰلِغَةࣱۖ فَمَا تُغۡنِ ٱلنُّذُرُ

    Hikmatu baliegah fama tughni An-noedhoer

    Deze wijsheid is volkomen; maar waarschuwers helpen bij hen niet.

  6. 6 فَتَوَلَّ عَنۡهُمۡۘ یَوۡمَ یَدۡعُ ٱلدَّاعِ إِلَىٰ شَیۡءࣲ نُّكُرٍ

    fetaŭella jaum jedoe Ad-da'i iela sjej noekoer

    Wend u dus van hen af! Den dag waarop de dagvaardende engel den mensch tot eene verschrikkelijke zaak zal oproepen.

  7. 7 خُشَّعًا أَبۡصَـٰرُهُمۡ یَخۡرُجُونَ مِنَ ٱلۡأَجۡدَاثِ كَأَنَّهُمۡ جَرَادࣱ مُّنتَشِرࣱ

    chosjan absaroehoem jachroedzjoen mina Al-adj-das ka'annahum Dzjarad moentasjir

    Zullen zij met nedergeslagen blikken uit hunne graven komen, talrijk, als verspreide sprinkhanen.

  8. 8 مُّهۡطِعِینَ إِلَى ٱلدَّاعِۖ یَقُولُ ٱلۡكَـٰفِرُونَ هَـٰذَا یَوۡمٌ عَسِرࣱ

    moechtieien ielè jaqoelo Al-Kafiroen haza jaum asir

    Zich met schrik naar den dagvaarder spoedende. De ongeloovigen zullen zeggen: Dit is een dag van droefheid.

  9. 9 ۞ كَذَّبَتۡ قَبۡلَهُمۡ قَوۡمُ نُوحࣲ فَكَذَّبُوا۟ عَبۡدَنَا وَقَالُوا۟ مَجۡنُونࣱ وَٱزۡدُجِرَ

    kazabath kablehoem kavm fakazjdoe abdanā wa kaaloe medzjoen Vazdjoera

    Het volk van Noach beschuldigde dien profeet, alvorens uw volk u verwierp, het beschuldigde onzen dienaar van bedrog; zeggende: Hij is een bezetene, en hij werd met verwijtingen verworpen.

  10. 10 فَدَعَا رَبَّهُۥۤ أَنِّی مَغۡلُوبࣱ فَٱنتَصِرۡ

    fadaa annie magloeb fantasir

    Hij riep daarom zijn Heer aan, zeggende: Waarlijk, ik ben overweldigd: wreek mij dus.

  11. 11 فَفَتَحۡنَاۤ أَبۡوَ ٰ⁠بَ ٱلسَّمَاۤءِ بِمَاۤءࣲ مُّنۡهَمِرࣲ

    fafetahna Abu geloof ba As-samaa bima moenhamir

    Daarop openden wij de poorten des hemels, waaruit het water stroomde.

  12. 12 وَفَجَّرۡنَا ٱلۡأَرۡضَ عُیُونࣰا فَٱلۡتَقَى ٱلۡمَاۤءُ عَلَىٰۤ أَمۡرࣲ قَدۡ قُدِرَ

    Vefadjerna Al-ard oejoenen faltaki Al-Maa amr Kad koedira

    Wij deden de aarde waterstralen uitwerpen, zoodat het water van hemel en aarde zich vereenigde, overeenkomstig het vastgestelde besluit.

  13. 13 وَحَمَلۡنَـٰهُ عَلَىٰ ذَاتِ أَلۡوَ ٰ⁠حࣲ وَدُسُرࣲ

    Wehhamelnahoe Ala zat Al-wa geloof hin Vedoesoer

    Wij droegen hem, op een schip, uit planken en spijkers samengesteld.

  14. 14 تَجۡرِی بِأَعۡیُنِنَا جَزَاۤءࣰ لِّمَن كَانَ كُفِرَ

    tadzjrie be aju nin a dzjezaa limen kana koefira

    Dat zich voor onze oogen voortbewoog, als eene belooning voor hem, die ondankbaar was verworpen.

  15. 15 وَلَقَد تَّرَكۡنَـٰهَاۤ ءَایَةࣰ فَهَلۡ مِن مُّدَّكِرࣲ

    Tarkanahaa Aya fahal min moeddakir

    Wij lieten dat schip tot een teeken dienen. Maar is iemand daardoor gewaarschuwd?

  16. 16 فَكَیۡفَ كَانَ عَذَابِی وَنُذُرِ

    Fakjef kana azabi Vanudhur

    En hoe gestreng was mijne wraak en mijne bedreiging!

  17. 17 وَلَقَدۡ یَسَّرۡنَا ٱلۡقُرۡءَانَ لِلذِّكۡرِ فَهَلۡ مِن مُّدَّكِرࣲ

    Vuh-lakd Jasarna Koran Lel-zikrie fahal min moeddakir

    Nu hebben wij den Koran gemakkelijk tot eene waarschuwing gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd?

  18. 18 كَذَّبَتۡ عَادࣱ فَكَیۡفَ كَانَ عَذَابِی وَنُذُرِ

    kazabath ad Fakjef kana azabi Vanudhur

    De stam van Ad beschuldigde hunnen profeet van bedrog; maar hoe ernstig was mijne wraak en mijne bedreiging!

  19. 19 إِنَّاۤ أَرۡسَلۡنَا عَلَیۡهِمۡ رِیحࣰا صَرۡصَرࣰا فِی یَوۡمِ نَحۡسࣲ مُّسۡتَمِرࣲّ

    Inna alayhim rejhan sarsaran fee jaum nahs

    Waarlijk, wij zonden, op een dag van voortdurend ongeluk een brullenden wind tegen hen.

  20. 20 تَنزِعُ ٱلنَّاسَ كَأَنَّهُمۡ أَعۡجَازُ نَخۡلࣲ مُّنقَعِرࣲ

    tanziu an-nas ka'annahum Aadzjaz nachl moenkair

    Die de menschen wegvoerde, als waren zij met kracht uitgescheurde wortels van palmboomen.

  21. 21 فَكَیۡفَ كَانَ عَذَابِی وَنُذُرِ

    Fakjef kana azabi Vanudhur

    En hoe ernstig was mijne wraak en mijne bedreiging!

  22. 22 وَلَقَدۡ یَسَّرۡنَا ٱلۡقُرۡءَانَ لِلذِّكۡرِ فَهَلۡ مِن مُّدَّكِرࣲ

    Vuh-lakd Jasarna Koran Lel-zikrie fahal min moeddakir

    Thans hebben wij den Koran gemakkelijk ter waarschuwing gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd?

  23. 23 كَذَّبَتۡ ثَمُودُ بِٱلنُّذُرِ

    kazabath thamudu Bielnoedzieri

    Die van Thamoed beschuldigden de vermaningen van hunnen profeet van valschheid.

  24. 24 فَقَالُوۤا۟ أَبَشَرࣰا مِّنَّا وَ ٰ⁠حِدࣰا نَّتَّبِعُهُۥۤ إِنَّاۤ إِذࣰا لَّفِی ضَلَـٰلࣲ وَسُعُرٍ

    fakaloe abasharan minna en geloof hedan Nettabiehoe Inna ieza laffie dalal Vasur

    En zij zeiden: Zullen wij een enkel man als wij, onder ons volgen? Waarlijk, wij zouden aan dwaling en ongerijmde dwaasheid schuldig zijn.

  25. 25 أَءُلۡقِیَ ٱلذِّكۡرُ عَلَیۡهِ مِنۢ بَیۡنِنَا بَلۡ هُوَ كَذَّابٌ أَشِرࣱ

    a oelkiya Adh-Dhikr alayhi bajnina hoe kazzāboen asjir

    Zou de taak van waarschuwing hem, boven het overige gedeelte van ons, opgedragen zijn? Neen, hij is een leugenaar en een onbeschaamde bedrieger.

  26. 26 سَیَعۡلَمُونَ غَدࣰا مَّنِ ٱلۡكَذَّابُ ٱلۡأَشِرُ

    sajalmoen gaden man-i Al-Kazzaboe Al-ashiroe

    Maar God zeide tot Saleh: Morgen zullen zij weten wie een leugenaar en een onbeschaamde is;

  27. 27 إِنَّا مُرۡسِلُوا۟ ٱلنَّاقَةِ فِتۡنَةࣰ لَّهُمۡ فَٱرۡتَقِبۡهُمۡ وَٱصۡطَبِرۡ

    moersieloea An-nasati fitna lahoem Fartakibhoem wasabir

    Want wij zullen zekerlijk de wijfjes-kameel zenden, om hen te beproeven; en gij, sla hen gade, en verdraag hunne beleedigingen met geduld.

  28. 28 وَنَبِّئۡهُمۡ أَنَّ ٱلۡمَاۤءَ قِسۡمَةُۢ بَیۡنَهُمۡۖ كُلُّ شِرۡبࣲ مُّحۡتَضَرࣱ

    Wa nabbi'hum anna Al-maa Kismet koel-loe sjirb moechtedar

    Voorspel hun, dat het water der putten tusschen hen zal worden verdeeld, en ieder deel zal beurtelings nedergezet worden.

  29. 29 فَنَادَوۡا۟ صَاحِبَهُمۡ فَتَعَاطَىٰ فَعَقَرَ

    fanadou sahibehum fatatsaadjaa fakara

    Zij riepen hunnen makker, en hij nam een zwaard en doodde haar,

  30. 30 فَكَیۡفَ كَانَ عَذَابِی وَنُذُرِ

    Fakjef kana azabi Vanudhur

    Maar hoe ernstig was mijne wraak en mijne bedreiging!

  31. 31 إِنَّاۤ أَرۡسَلۡنَا عَلَیۡهِمۡ صَیۡحَةࣰ وَ ٰ⁠حِدَةࣰ فَكَانُوا۟ كَهَشِیمِ ٱلۡمُحۡتَظِرِ

    Inna alayhim sajha en geloof fakaanuu kahesjime Al-moehtazirie

    Want wij zonden hun een enkelen kreet van den engel Gabriël te gemoet, en zij werden als de droge stokken, die gebruikt worden door dengeen, welke een kooi voor het vee bouwt.

  32. 32 وَلَقَدۡ یَسَّرۡنَا ٱلۡقُرۡءَانَ لِلذِّكۡرِ فَهَلۡ مِن مُّدَّكِرࣲ

    Vuh-lakd Jasarna Koran Lel-zikrie fahal min moeddakir

    En thans hebben wij den Koran gemakkelijk ter waarschuwing gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd?

  33. 33 كَذَّبَتۡ قَوۡمُ لُوطِۭ بِٱلنُّذُرِ

    kazabath kavm Loet Bielnoedzieri

    Het volk van Lot beschuldigde zijne prediking van valschheid.

  34. 34 إِنَّاۤ أَرۡسَلۡنَا عَلَیۡهِمۡ حَاصِبًا إِلَّاۤ ءَالَ لُوطࣲۖ نَّجَّیۡنَـٰهُم بِسَحَرࣲ

    Inna alayhim hasibena Al Loet Nadjienahoem besahar

    Maar wij zonden een wind tegen hen, die eene regenbui van steenen voortdreef, welke hen allen verdelgde, behalve het gezin van Lot, dat wij vroeg in den ochtend bevrijdden.

  35. 35 نِّعۡمَةࣰ مِّنۡ عِندِنَاۚ كَذَ ٰ⁠لِكَ نَجۡزِی مَن شَكَرَ

    indena kaza geloof leka nadzjzie men sjakkara

    Dit was door onze gunst. Zoo beloonen wij hen, die dankbaar zijn.

  36. 36 وَلَقَدۡ أَنذَرَهُم بَطۡشَتَنَا فَتَمَارَوۡا۟ بِٱلنُّذُرِ

    Vuh-lakd anzarahum batsjetna Fetamarou Bielnoedzieri

    En Lot had hen gewaarschuwd voor onze gestrenge kastijding; maar zij twijfelden aan die waarschuwing.

  37. 37 وَلَقَدۡ رَ ٰ⁠وَدُوهُ عَن ضَیۡفِهِۦ فَطَمَسۡنَاۤ أَعۡیُنَهُمۡ فَذُوقُوا۟ عَذَابِی وَنُذُرِ

    Vuh-lakd ra geloof vadoehoe an zejfiehi fatamsna a'joenahoem fazoekoe azabi Vanudhur

    Zij eischten zijne gasten, opdat zij hen zouden misbruiken; maar wij staken hunne oogen uit, zeggende: Proeft mijne wraak en mijne bedreiging.

  38. 38 وَلَقَدۡ صَبَّحَهُم بُكۡرَةً عَذَابࣱ مُّسۡتَقِرࣱّ

    Vuh-lakd sabahum boekera azab moestakirr

    En vroeg in den ochtend verraste hen eene zware straf.

  39. 39 فَذُوقُوا۟ عَذَابِی وَنُذُرِ

    fazoekoe azabi Vanudhur

    Proeft dus mijne wraak en mijne bedreiging.

  40. 40 وَلَقَدۡ یَسَّرۡنَا ٱلۡقُرۡءَانَ لِلذِّكۡرِ فَهَلۡ مِن مُّدَّكِرࣲ

    Vuh-lakd Jasarna Koran Lel-zikrie fahal min moeddakir

    Thans hebben wij den Koran gemakkelijk ter waarschuwing, gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd?

  41. 41 وَلَقَدۡ جَاۤءَ ءَالَ فِرۡعَوۡنَ ٱلنُّذُرُ

    Vuh-lakd jaa Al Fir'aun An-noedhoer

    De vermaning van Mozes kwam mede tot het volk van Pharao,

  42. 42 كَذَّبُوا۟ بِـَٔایَـٰتِنَا كُلِّهَا فَأَخَذۡنَـٰهُمۡ أَخۡذَ عَزِیزࣲ مُّقۡتَدِرٍ

    kezzaboe be-aa-ja-tie-naa koellahaa Fa-ahazh-nahum achd moektadir

    Maar zij beschuldigden al onze teekenen van bedrog; daarom kastijdden wij hem met eene machtige en onwederstaanbare kastijding.

  43. 43 أَكُفَّارُكُمۡ خَیۡرࣱ مِّنۡ أُو۟لَـٰۤىِٕكُمۡ أَمۡ لَكُم بَرَاۤءَةࣱ فِی ٱلزُّبُرِ

    akoefaroekoem hajr Oelaikoem am baraa'a fee Al-zuburi

    O bewoners van Mekka! zijn uwe ongeloovigen beter dan deze? Is u in de schriften vrijstelling van straf beloofd?

  44. 44 أَمۡ یَقُولُونَ نَحۡنُ جَمِیعࣱ مُّنتَصِرࣱ

    am jaqoeloen nahnoe Dzjemieoe Moentasir

    Zeggen zij: wij vormen een lichaam van menschen, die in staat zijn onze vijanden te bemeesteren?

  45. 45 سَیُهۡزَمُ ٱلۡجَمۡعُ وَیُوَلُّونَ ٱلدُّبُرَ

    sajoehzamo al-djamm-oe vajoe-loel-loean ad-doeboera

    De menigte zal zekerlijk op de vlucht worden gejaagd en zij zullen hunne ruggen omkeeren.

  46. 46 بَلِ ٱلسَّاعَةُ مَوۡعِدُهُمۡ وَٱلسَّاعَةُ أَدۡهَىٰ وَأَمَرُّ

    bele As-sa'a mau'iduhum Wes-saa'a edha en ik passeer

    Maar het uur des oordeels is hun bedreigde straftijd, en dat uur zal droeviger en bitterder zijn, dan hunne droefheden in dit leven.

  47. 47 إِنَّ ٱلۡمُجۡرِمِینَ فِی ضَلَـٰلࣲ وَسُعُرࣲ

    Inna Al-moedjrimien fee dalal vuh-soo-run

    Waarlijk, de zondaar doolt in dwaling rond, en zal hier namaals in brandende vlammen worden gemarteld.

  48. 48 یَوۡمَ یُسۡحَبُونَ فِی ٱلنَّارِ عَلَىٰ وُجُوهِهِمۡ ذُوقُوا۟ مَسَّ سَقَرَ

    jaum joeshaboen fee An-nar Ala Woedjoehehiem thoe-koe Messa sakara

    Op dien dag zullen zij met hunne aangezichten in het vuur worden geworpen, en men zal hun zeggen: Proeft de aanraking der hel.

  49. 49 إِنَّا كُلَّ شَیۡءٍ خَلَقۡنَـٰهُ بِقَدَرࣲ

    koella sjei haleqnah bekadar

    Alle dingen hebben wij geschapen, aan een bepaald besluit gebonden.

  50. 50 وَمَاۤ أَمۡرُنَاۤ إِلَّا وَ ٰ⁠حِدَةࣱ كَلَمۡحِۭ بِٱلۡبَصَرِ

    amroenaa illa en geloof heda Kelemhi bil-basari

    En ons bevel bestaat slechts in een enkel woord, aan een oogwenk gelijk.

  51. 51 وَلَقَدۡ أَهۡلَكۡنَاۤ أَشۡیَاعَكُمۡ فَهَلۡ مِن مُّدَّكِرࣲ

    Vuh-lakd ahlakna asjja-oem fahal min moeddakir

    Wij hebben vroeger volken verdelgd, die u gelijk waren; maar is iemand uwer door hun voorbeeld gewaarschuwd?

  52. 52 وَكُلُّ شَیۡءࣲ فَعَلُوهُ فِی ٱلزُّبُرِ

    wa koel-loe sjej fa'aloewhoe fee Al-zuburi

    Alles wat gij doet, is in het boek vermeld, dat door de wakende engelen wordt bewaard.

  53. 53 وَكُلُّ صَغِیرࣲ وَكَبِیرࣲ مُّسۡتَطَرٌ

    wa koel-loe saghier vakabir moestatar

    Elke daad, klein of groot, is op de welbewaarde tafel nedergeschreven.

  54. 54 إِنَّ ٱلۡمُتَّقِینَ فِی جَنَّـٰتࣲ وَنَهَرࣲ

    Inna Al-moettaqien fee Vanahar

    De vromen zullen echter te midden van tuinen en meren wonen.

  55. 55 فِی مَقۡعَدِ صِدۡقٍ عِندَ مَلِیكࣲ مُّقۡتَدِرِۭ

    fee mak'ad sedqin enda Malik moektadir

    In de vergadering der waarheid, in tegenwoordigheid van den machtigsten koning.

This surah in other languages