Al-Insaan
Al-Insaan
De Mens
بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ ٱلرَّحِیمِ
Bismi Allah Ar-Rahman Ar-Rahim
- 1 هَلۡ أَتَىٰ عَلَى ٱلۡإِنسَـٰنِ حِینࣱ مِّنَ ٱلدَّهۡرِ لَمۡ یَكُن شَیۡـࣰٔا مَّذۡكُورًا
hel ata allai Al-insaan hain min Ad-dahri lam jakun mazkoeran
Ging er niet eene groote tijdruimte over den mensch, gedurende welke hij eene nietswaardige zaak was?
- 2 إِنَّا خَلَقۡنَا ٱلۡإِنسَـٰنَ مِن نُّطۡفَةٍ أَمۡشَاجࣲ نَّبۡتَلِیهِ فَجَعَلۡنَـٰهُ سَمِیعَۢا بَصِیرًا
chalaqna Al-insan min noetfa amsjadzj nebtalihi Fa-dja-lna-hoe Semi'a basieran
Waarlijk, wij hebben den mensch geschapen uit het gemengde zaad van beide seksen, opdat wij hem zouden beproeven, en wij hebben hem doen hooren en zien.
- 3 إِنَّا هَدَیۡنَـٰهُ ٱلسَّبِیلَ إِمَّا شَاكِرࣰا وَإِمَّا كَفُورًا
hadajna As-sabiel ima sjakieran wa immaa kafoeran
Wij hebben hem zeker op den weg geleid, of hij dankbaar, dan wel ondankbaar zou zijn.
- 4 إِنَّاۤ أَعۡتَدۡنَا لِلۡكَـٰفِرِینَ سَلَـٰسِلَا۟ وَأَغۡلَـٰلࣰا وَسَعِیرًا
Inna a'tedna Liel kaafirien selasila Wa aghlalan Vasairan
Waarlijk, wij hebben voor de ongeloovigen ketenen en halskragen en brandend vuur gereed gemaakt.
- 5 إِنَّ ٱلۡأَبۡرَارَ یَشۡرَبُونَ مِن كَأۡسࣲ كَانَ مِزَاجُهَا كَافُورًا
Inna Al-abrar djasdjrabuun min kas kana mezazjoeha kafoer
Maar de rechtvaardigen zullen uit een beker wijn drinken, gemengd met het water van Ca oer.
- 6 عَیۡنࣰا یَشۡرَبُ بِهَا عِبَادُ ٱللَّهِ یُفَجِّرُونَهَا تَفۡجِیرࣰا
ajna djasdjrabu beha ibadoe Allah joefadjieroenaha tafdjieran
Eene fontein waarvan Gods dienaren zullen drinken: zij zullen die door kanalen leiden (werwaarts het hun behaagt).
- 7 یُوفُونَ بِٱلنَّذۡرِ وَیَخَافُونَ یَوۡمࣰا كَانَ شَرُّهُۥ مُسۡتَطِیرࣰا
jufon Bilnadri vajahafoenen jauwman kana sjarr-oehoe moestatieran
Deze vervullen hunne gelofte en vreezen den dag, waarvan rampen zich zeer ver uitstrekken.
- 8 وَیُطۡعِمُونَ ٱلطَّعَامَ عَلَىٰ حُبِّهِۦ مِسۡكِینࣰا وَیَتِیمࣰا وَأَسِیرًا
vajutiemoen at-taam Ala hoebbie-hie meskiena vajetiman wasieran
Zij, schoon zelven nooddruftig, geven voedsel aan de armen, aan den wees en aan den balling voor zijne zaak.
- 9 إِنَّمَا نُطۡعِمُكُمۡ لِوَجۡهِ ٱللَّهِ لَا نُرِیدُ مِنكُمۡ جَزَاۤءࣰ وَلَا شُكُورًا
noetiemoekoem lewezh Allah Noeriedoe minkoem dzjezaa sjoekoeran
Zeggende: Wij voeden u alleen voor Gods zaak; wij begeeren belooning noch dankzegging van u.
- 10 إِنَّا نَخَافُ مِن رَّبِّنَا یَوۡمًا عَبُوسࣰا قَمۡطَرِیرࣰا
nachafoe min Rabbina jawma aboesan Kamṭarīran
Waarlijk, wij vreezen van onzen Heer een schrikbarenden en rampvollen dag.
- 11 فَوَقَىٰهُمُ ٱللَّهُ شَرَّ ذَ ٰلِكَ ٱلۡیَوۡمِ وَلَقَّىٰهُمۡ نَضۡرَةࣰ وَسُرُورࣰا
fauakjáhumu Allah Sjar dha geloof leka Al-jawmi wallakkaahum Nadrah wasoeroeran
Daarom zal God hen van de ramp van dien dag bevrijden, en hij zal hunne voorhoofden doen schitteren, en hun vreugde geven.
- 12 وَجَزَىٰهُم بِمَا صَبَرُوا۟ جَنَّةࣰ وَحَرِیرࣰا
Wadjaja-hoem bima sabaroew Djennah vahareeran
En hij zal hun voor hunne geduldige volharding beloonen, met een tuin en zijden kleederen.
- 13 مُّتَّكِـِٔینَ فِیهَا عَلَى ٱلۡأَرَاۤىِٕكِۖ لَا یَرَوۡنَ فِیهَا شَمۡسࣰا وَلَا زَمۡهَرِیرࣰا
moettekiena fieha allai jarona fieha sjamsan Zamherir
Daarin zullen zij op zetels rusten; zij zullen daar zon noch maan zien.
- 14 وَدَانِیَةً عَلَیۡهِمۡ ظِلَـٰلُهَا وَذُلِّلَتۡ قُطُوفُهَا تَذۡلِیلࣰا
vedanija alayhim zilaloeha Wadhullet koetoefoeha tazlielan
De schaduwen der boomen zullen zich over hen uitspreiden, en de vruchten daarvan zullen laag nederkomen, zoodat die gemakkelijk zullen kunnen worden ingezameld.
- 15 وَیُطَافُ عَلَیۡهِم بِـَٔانِیَةࣲ مِّن فِضَّةࣲ وَأَكۡوَابࣲ كَانَتۡ قَوَارِیرَا۠
wajoe tafoe beanie min zilver kanet Kawarira
Hunne dienaren zullen bij hen rondgaan met zilveren vaatwerk en bekers.
- 16 قَوَارِیرَا۟ مِن فِضَّةࣲ قَدَّرُوهَا تَقۡدِیرࣰا
min zilver kadaroehaa takdieran
De flesschen zullen flesschen van zilver zijn (blinkend als glas); zij zullen de maat daarvan bepalen.
- 17 وَیُسۡقَوۡنَ فِیهَا كَأۡسࣰا كَانَ مِزَاجُهَا زَنجَبِیلًا
wajskawna fieha ka'sa kana mezazjoeha zandzjebielan
Daar zal hun te drinken worden gegeven, uit bekers (wijn), gemengd met het water van Zedjebil
- 18 عَیۡنࣰا فِیهَا تُسَمَّىٰ سَلۡسَبِیلࣰا
ajna fieha tessama Salsabiel
Uit eene fontein in het paradijs, Selsebil genaamd.
- 19 ۞ وَیَطُوفُ عَلَیۡهِمۡ وِلۡدَ ٰنࣱ مُّخَلَّدُونَ إِذَا رَأَیۡتَهُمۡ حَسِبۡتَهُمۡ لُؤۡلُؤࣰا مَّنثُورࣰا
vadjatufu alayhim weld geloof nã moechalladoen ieza ra'as-hoem hasibathoem loeloea mansoer
En kinderen die eeuwig jong zullen blijven zullen rondgaan om hen te bedienen; als gij hen ziet, zult gij denken dat zij verspreide paarlen zijn.
- 20 وَإِذَا رَأَیۡتَ ثَمَّ رَأَیۡتَ نَعِیمࣰا وَمُلۡكࣰا كَبِیرًا
wa iza ra'jta tham ra'jta Na'im wemulkan kebieran
En als gij dit ziet, zult gij geneugten aanschouwen en een groot koninkrijk.
- 21 عَـٰلِیَهُمۡ ثِیَابُ سُندُسٍ خُضۡرࣱ وَإِسۡتَبۡرَقࣱۖ وَحُلُّوۤا۟ أَسَاوِرَ مِن فِضَّةࣲ وَسَقَىٰهُمۡ رَبُّهُمۡ شَرَابࣰا طَهُورًا
Alijahum thejabo soendoes Chodr wa istabrakun Wehulloea asawira min zilver wa saqa hum sjaraban tahoeran
Zij zullen bedekt zijn met kleederen van fijne, groene zijde en van gouden weefsels, en zij zullen versierd zijn met zilveren armbanden, en hun Heer zal hun van het zuiverste vocht te drinken geven.
- 22 إِنَّ هَـٰذَا كَانَ لَكُمۡ جَزَاۤءࣰ وَكَانَ سَعۡیُكُم مَّشۡكُورًا
Inna haza kana lakum dzjezaa oe kana sajoekoem Meshkoeran
(Hij zal tot hen zeggen:) Waarlijk, dit is uwe belooning, en uwe pogingen zijn dankbaar aangenomen.
- 23 إِنَّا نَحۡنُ نَزَّلۡنَا عَلَیۡكَ ٱلۡقُرۡءَانَ تَنزِیلࣰا
nahnoe nezzelna aleiko Koran Tenzielan
Waarlijk, wij hebben u den Koran door eene (trapsgewijze) openbaring nedergezonden.
- 24 فَٱصۡبِرۡ لِحُكۡمِ رَبِّكَ وَلَا تُطِعۡ مِنۡهُمۡ ءَاثِمًا أَوۡ كَفُورࣰا
fasbir lehukmi Rabbi-k toetie minhoem athiman au kafoeran
Wacht dus geduldig het oordeel van uwen Heer af, en geloof geen zondaar of ongeloovige onder hen.
- 25 وَٱذۡكُرِ ٱسۡمَ رَبِّكَ بُكۡرَةࣰ وَأَصِیلࣰا
Wazkoeri Ism Rabbi-k boekra oea sie laan
Gedenk den naam van uwen Heer, des ochtends en des avonds.
- 26 وَمِنَ ٱلَّیۡلِ فَٱسۡجُدۡ لَهُۥ وَسَبِّحۡهُ لَیۡلࣰا طَوِیلًا
vomen Al-layl fesdjoed Wasabbiehoe leilen tauielaan
En aanbid hem gedurende (een deel van den nacht); en prijs hem gedurende een groot deel des nachts.
- 27 إِنَّ هَـٰۤؤُلَاۤءِ یُحِبُّونَ ٱلۡعَاجِلَةَ وَیَذَرُونَ وَرَاۤءَهُمۡ یَوۡمࣰا ثَقِیلࣰا
Inna ha-oelaa-i joehieboena Al-adzjila vayadhoeroen Veraahum jauwman thakielan
Waarlijk, deze menschen beminnen het voorbijgaande leven, en veronachtzamen den zwaren dag des oordeels.
- 28 نَّحۡنُ خَلَقۡنَـٰهُمۡ وَشَدَدۡنَاۤ أَسۡرَهُمۡۖ وَإِذَا شِئۡنَا بَدَّلۡنَاۤ أَمۡثَـٰلَهُمۡ تَبۡدِیلًا
Nahnoe Khalaqnahum Wasjadadna asrahum wa iza Shena bad-na amthala-hoem tabdielan
Wij hebben hen geschapen en hunne ledematen gesterkt, en als het ons behaagt, stellen wij anderen aan hen gelijk, in hunne plaats.
- 29 إِنَّ هَـٰذِهِۦ تَذۡكِرَةࣱۖ فَمَن شَاۤءَ ٱتَّخَذَ إِلَىٰ رَبِّهِۦ سَبِیلࣰا
Inna haziehi faman sjaa ittakhatha iela sabilen
Waarlijk, dit is eene waarschuwing; en hij die wil, kieze den weg tot zijn Heer.
- 30 وَمَا تَشَاۤءُونَ إِلَّاۤ أَن یَشَاۤءَ ٱللَّهُۚ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ عَلِیمًا حَكِیمࣰا
vama tasha'una an Yesjaa Inna Allah kana aliman hakieman
Maar gij zult niet willen tenzij God wil; want God is alwetend en wijs
- 31 یُدۡخِلُ مَن یَشَاۤءُ فِی رَحۡمَتِهِۦۚ وَٱلظَّـٰلِمِینَ أَعَدَّ لَهُمۡ عَذَابًا أَلِیمَۢا
joedchieloe men Jesja fee rahmetihi Vedh-dhaa-li-mie-na a'edda lahum azzabaan alima
Hij leidt in zijne genade die hem behagen; maar voor den onrechtvaardige heeft hij eene gestrenge straf gereed gemaakt.
This surah in other languages
- বাংলা আল-ইনসান
- Bosanski El-Insan
- Нохчийн Аль-Инсан
- Deutsch Al-Insan
- English Al-Insan
- Español Al-Insán
- فارسی ال-انسآن
- Français Al-Insān
- Hausa Al-Insān
- עברית אל-אינסאן
- हिन्दी अल-इंसान
- Bahasa Indonesia Al-Insan
- 日本語 アル=インサーン
- 한국어 알-인산
- کوردی ئیل-ئینسان
- Bahasa Melayu Al-Insan
- Nederlands Al-Insaan
- پنجابی الانسان
- ਪੰਜਾਬੀ ਅਲ-ਇਨਸਾਨ
- پښتو الانسان
- Português Al-Insan
- Русский Аль-Инсан
- Soomaaliga Al-Insaan
- Kiswahili Al-Insan
- தமிழ் அல்-இன்சான்
- ไทย อัล-อินซาน
- Türkçe El-İnsan
- اردو الانسان
- Oʻzbek Al-Insон
- 中文 阿尔-因萨恩