Abasa
Abasa
Hij Fronste
بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ ٱلرَّحِیمِ
Bismi Allah Ar-Rahman Ar-Rahim
- 1 عَبَسَ وَتَوَلَّىٰۤ
abas wa tawalla
De profeet fronst zijn voorhoofd en wendt zich af.
- 2 أَن جَاۤءَهُ ٱلۡأَعۡمَىٰ
an Djaa'hu Al-A'ma
Omdat de blinde man tot hem kwam.
- 3 وَمَا یُدۡرِیكَ لَعَلَّهُۥ یَزَّكَّىٰۤ
vama joedriek la'aloeloe Yezzaka
En hoe kunt gij weten of hij niet misschien van zijne zonden gezuiverd zal worden;
- 4 أَوۡ یَذَّكَّرُ فَتَنفَعَهُ ٱلذِّكۡرَىٰۤ
au jezzekkeru fatanfahoe
Of dat hij vermaand zal worden, en dat de vermaning van eenig voordeel zal wezen.
- 5 أَمَّا مَنِ ٱسۡتَغۡنَىٰ
ama mana
Den mensch die rijk is.
- 6 فَأَنتَ لَهُۥ تَصَدَّىٰ
fa-anta tasadda
Ontvangt gij gij met eerbied;
- 7 وَمَا عَلَیۡكَ أَلَّا یَزَّكَّىٰ
vama aleiko Alla
Terwijl gij er niet van beschuldigd wordt, dat hij niet gezuiverd is.
- 8 وَأَمَّا مَن جَاۤءَكَ یَسۡعَىٰ
wa amma men Djaaka Jes'a
Maar hij die tot u komt, om zijn heil ernstig te zoeken.
- 9 وَهُوَ یَخۡشَىٰ
Wahoea jachsja
En die God vreest.
- 10 فَأَنتَ عَنۡهُ تَلَهَّىٰ
fa-anta anhu tallahja
Verwaarloost gij.
- 11 كَلَّاۤ إِنَّهَا تَذۡكِرَةࣱ
Innaha Tazkira
Gij moest volstrekt niet zoo handelen. Waarlijk, de Koran is eene vermaning.
- 12 فَمَن شَاۤءَ ذَكَرَهُۥ
faman sjaa dhakarah
(En hij die daartoe gezind is, onthoudt deze).
- 13 فِی صُحُفࣲ مُّكَرَّمَةࣲ
fee soehoef moekarrama
En hij is op geachte bladen geschreven.
- 14 مَّرۡفُوعَةࣲ مُّطَهَّرَةِۭ
moetahhara
Verheven en zuiver.
- 15 بِأَیۡدِی سَفَرَةࣲ
bejdi safare
Met de handen van
- 16 كِرَامِۭ بَرَرَةࣲ
Kerami Barara
Geëerde en rechtvaardige schrijvers.
- 17 قُتِلَ ٱلۡإِنسَـٰنُ مَاۤ أَكۡفَرَهُۥ
koetila Al-insanoe akfaroeloe
Gevloekt zij de mensch! Wat heeft hem tot ontrouw verleid?
- 18 مِنۡ أَیِّ شَیۡءٍ خَلَقَهُۥ
Ajjie sjei Chalaqahoe
Van wat schiep God hem?
- 19 مِن نُّطۡفَةٍ خَلَقَهُۥ فَقَدَّرَهُۥ
min noetfa Chalaqahoe Fakadarhoe
Van een droppel zaad schiep hij hem; En hij vormde hem met evenredigheid.
- 20 ثُمَّ ٱلسَّبِیلَ یَسَّرَهُۥ
thoemma As-sabiel Jas-sa-ra-hoe
Daarna vergemakkelijkte hij zijn uitgang uit den schoot der moeder.
- 21 ثُمَّ أَمَاتَهُۥ فَأَقۡبَرَهُۥ
thoemma amatahoe Feakbarahoe
Daarna deed hij hem sterven, en legde hem in het graf.
- 22 ثُمَّ إِذَا شَاۤءَ أَنشَرَهُۥ
thoemma ieza sjaa Ansharahoe
Hierna, als het hem zal behagen, zal hij hem tot het leven opwekken.
- 23 كَلَّا لَمَّا یَقۡضِ مَاۤ أَمَرَهُۥ
Lama Jakzi amarah
Waarlijk, hij heeft tot hiertoe niet volkomen vervuld wat God hem heeft bevolen.
- 24 فَلۡیَنظُرِ ٱلۡإِنسَـٰنُ إِلَىٰ طَعَامِهِۦۤ
Faljenzur Al-insanoe iela ta'amihi
Laat den mensch zijn voedsel beschouwen (en op welke wijze het wordt voortgebracht).
- 25 أَنَّا صَبَبۡنَا ٱلۡمَاۤءَ صَبࣰّا
anna sababna Al-maa sabban
Wij doen het water door regenbuien nederstorten;
- 26 ثُمَّ شَقَقۡنَا ٱلۡأَرۡضَ شَقࣰّا
thoemma Sjakna Al-ard Sjakka
Daarna splijten wij de aarde met spleten.
- 27 فَأَنۢبَتۡنَا فِیهَا حَبࣰّا
fa-anbtnā fieha habben
En wij doen het koren daaruit voortspruiten.
- 28 وَعِنَبࣰا وَقَضۡبࣰا
wa enab Wakadhba
Den wijngaard en het klaverblad;
- 29 وَزَیۡتُونࣰا وَنَخۡلࣰا
Vezajtoena Venachla
Den olijfboom en den palmboom.
- 30 وَحَدَاۤىِٕقَ غُلۡبࣰا
vahadaiqa ghoelban
En tuinen dicht met boomen beplant.
- 31 وَفَـٰكِهَةࣰ وَأَبࣰّا
vafakiha wa abb-an
En vruchten en gras.
- 32 مَّتَـٰعࣰا لَّكُمۡ وَلِأَنۡعَـٰمِكُمۡ
matan lakum Wale-anamikoem
Voor het gebruik van u zelven en van uw vee.
- 33 فَإِذَا جَاۤءَتِ ٱلصَّاۤخَّةُ
feidha djaat As-sākhah
Als de verdoovende klank van de trompet zal gehoord worden.
- 34 یَوۡمَ یَفِرُّ ٱلۡمَرۡءُ مِنۡ أَخِیهِ
jaum jafirroe Al mar-oe ach-ie-hie
Op dien dag zal de mensch van zijn broeder vluchten.
- 35 وَأُمِّهِۦ وَأَبِیهِ
Oeamiehi waa bihie
Van zijne moeder en zijn vader.
- 36 وَصَـٰحِبَتِهِۦ وَبَنِیهِ
wasaahibetiehi vabaniehi
Van zijn vrouw en zijne kinderen.
- 37 لِكُلِّ ٱمۡرِئࣲ مِّنۡهُمۡ یَوۡمَىِٕذࣲ شَأۡنࣱ یُغۡنِیهِ
le koel imri minhum jomiz sjan joegh-nie-hie
Ieder mensch zal op dien dag genoeg stof voor zich zelven hebben, om zijne gedachten bezig te houden.
- 38 وُجُوهࣱ یَوۡمَىِٕذࣲ مُّسۡفِرَةࣱ
woezoeh jomiz moesfira
Op dien dag zullen de aangezichten van sommigen schitteren.
- 39 ضَاحِكَةࣱ مُّسۡتَبۡشِرَةࣱ
zahieka moestabsjierah
Lachend en vroolijk zijn.
- 40 وَوُجُوهࣱ یَوۡمَىِٕذٍ عَلَیۡهَا غَبَرَةࣱ
vovoejoeh Jawmaidhin alejha ghabara
En op de aangezichten van anderen zal, op dien dag, stof liggen;
- 41 تَرۡهَقُهَا قَتَرَةٌ
tarhakoecha Katarah
Duisternis zal hen bedekken;
- 42 أُو۟لَـٰۤىِٕكَ هُمُ ٱلۡكَفَرَةُ ٱلۡفَجَرَةُ
oela-ieka hoem Al-ka-fa-ra Al-fadjra
Dit zijn de ongeloovigen, de zondaars.
This surah in other languages
- বাংলা আবাসা
- Bosanski Abese
- Нохчийн Ӏаббас
- Deutsch 'Abasa
- English Abasa
- Español Abasa
- فارسی عبس
- Français Abassa
- Hausa Abasa
- עברית עַבַּס
- हिन्दी अबसा
- Bahasa Indonesia 'Abasa
- 日本語 アバサ
- 한국어 아바사
- کوردی Ebes
- Bahasa Melayu 'Abasa
- Nederlands Abasa
- پنجابی عَبَس
- ਪੰਜਾਬੀ ਅੱਬਸਾ
- پښتو عبس
- Português Abassa
- Русский Абаса
- Soomaaliga Abasa
- Shqip Abese
- Kiswahili 'Abasa
- தமிழ் அபஸ்
- ไทย อะบะซะ
- Türkçe Abese
- اردو عبس
- Oʻzbek Abasa
- 中文 阿巴萨